ECLI:NL:RVS:2022:3393
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving permanente bewoning recreatiewoning in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk legde appellant een last onder dwangsom op om de permanente bewoning van zijn recreatiewoning te beëindigen, omdat dit in strijd is met het bestemmingsplan "Verblijfsrecreatieterreinen". Appellant betwistte dit standpunt en voerde onder meer aan dat het gebruik niet permanent was en dat het college onrechtmatig handelde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure gaf appellant aan de woning te hebben verkocht en het gebruik te hebben gestaakt, waarop het college de last onder dwangsom introk.
De Afdeling oordeelde dat het college terecht had vastgesteld dat appellant de woning permanent bewoonde, mede op basis van inschrijving in de Basisregistratie Personen, rapporten van gemeentelijke controleurs en eigen verklaringen van appellant. De betwisting van appellant over de juistheid van de controles en verklaringen faalde. Tevens is het college bevoegd om handhavend op te treden omdat geen omgevingsvergunning voor permanente bewoning is verleend.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel faalde eveneens. De Afdeling stelde dat het college een belangenafweging heeft gemaakt en dat er voldoende ruimte is om persoonlijke omstandigheden mee te wegen. Het beroep op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens werd verworpen omdat het nationale juridische kader voldoende waarborgen biedt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant de recreatiewoning permanent bewoont in strijd met het bestemmingsplan.