3.1.In het geval van [eiseres] is de wettelijke beslistermijn al op 17 januari 2023 verstreken. De termijn van 60 weken na de datum van de beslistermijn op bezwaar is in dit geval op
12 maart 2024 verstreken en de beslistermijn van twee weken na de dag van de uitspraak van de rechtbank van 7 mei 2025 is op 22 mei 2025 verstreken. De rechtbank ziet in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 geen aanleiding om de Dienst Toeslagen nu een langere beslistermijn te gunnen dan twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar van [eiseres] moet nemen.
Welke dwangsom wordt aan de Dienst Toeslagen opgelegd?
4. [eiseres] en de Dienst Toeslagen verzoeken de rechtbank om een dwangsom op te leggen van € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-. Zij verwijzen hierbij naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025.
5. Ter zitting heeft de gemachtigde van de Dienst Toeslagen toegelicht dat zodra een beroep niet tijdig beslissen wordt ingediend, het verweerschrift in het desbetreffende beroep met voorrang wordt opgepakt. Er volgt daarna een signaal naar de bezwaarafdeling, maar onduidelijk is wat er verder bij deze afdeling gebeurt. Voor deze specifieke zaak heeft de gemachtigde van de Dienst Toeslagen toegelicht dat de eerder door de rechtbank opgelegde dwangsommen weinig tot geen effect hebben gehad op de voortgang van de inhoudelijke behandeling van het bezwaar van [eiseres] .
6. Ter zitting heeft de gemachtigde van [eiseres] toegelicht dat van de oplegging van een nadere dwangsom wel degelijk een prikkel naar de Dienst Toeslagen uitgaat. Bij de behandeling van een andere zaak is een geplande hoorzitting naar aanleiding van een beroep niet tijdig beslissen vervroegd.
7. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van
26 maart 2025 heeft geoordeeld dat bij een gegrond beroep niet tijdig beslissen een nadere beslistermijn geldt van 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, op last van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.Als al 60 weken zijn verstreken na de ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, wordt aan de uitspraak in beginsel een dwangsom verbonden van € 250,- per dag waarmee de nadere termijn van twee weken wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-.
8. In het onderhavige beroep gaat het om een vierde gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen. De termijn van 60 weken na afloop van de beslistermijn is al twee jaar verstreken en alle eerder door de rechtbank opgelegde dwangsommen zijn ‘volgelopen’ zonder dat de Dienst Toeslagen tot op heden een besluit op het bezwaar van [eiseres] heeft genomen. De rechtbank kan niet anders vaststellen dan dat de opgelegde dwangsommen van onvoldoende prikkel zijn gebleken om alsnog tot besluitvorming over te gaan. Dit stelt de rechtbank voor de principiële vraag of het – in het licht van de problemen die de Afdeling reeds heeft genoemd in de uitspraak van
26 maart 2025 – opportuun is opnieuw een (forse) dwangsom aan de opgelegde beslistermijn te verbinden. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
9. Een rechterlijke dwangsom is een instrument dat tot doel heeft dat de rechtbank het bestuursorgaan een effectieve prikkel oplegt om een besluit alsnog binnen de nadere termijn bekend te maken. De wetgever heeft de rechtbank daarom ruimte gegeven om de hoogte van de dwangsom te bepalen, zodat deze kan worden afgestemd op de omstandigheden van het geval, en leidt tot een effectieve prikkel om het besluit alsnog binnen de gestelde nadere termijn bekend te maken.
10. De rechtbank ziet geen aanleiding om opnieuw een dwangsom op te leggen in de orde van grootte zoals eerder is gebeurd, nu de 60 weken nadere beslistermijn zijn verstreken en in een eerder beroep een nadere beslistermijn van twee weken is gegeven met een nadere dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank concludeert dat van deze dwangsom geen effectieve prikkel uitgaat naar de Dienst Toeslagen om alsnog binnen de nadere termijn een besluit bekend te maken. Dit is een ernstige bestuurlijke tekortkoming die de rechtbank met het opleggen van nadere forse dwangsommen niet oplost. De rechtbank realiseert zich dat het instellen van een volgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit hierdoor zinledig dreigt te worden, maar acht het – gelet op de hoge maatschappelijke kosten – niet langer verantwoord om hoge dwangsommen te blijven opleggen die geen effect hebben op nakoming van de nadere beslistermijnen. Daarmee zou het instrument zijn doel immers voorbijschieten.
11. Gelet hierop bepaalt de rechtbank dat, indien de 60 weken nadere beslistermijn zijn verstreken en in een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen tegen eenzelfde besluit een nadere beslistermijn van twee weken aan de Dienst Toeslagen is gegeven met een nadere dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,- en de Dienst Toeslagen – na het ‘vollopen’ van die dwangsommen – nog in gebreke blijft om binnen de nadere termijn een besluit bekend te maken, aan de Dienst Toeslagen in een opvolgend beroep een nadere dwangsom wordt opgelegd van € 1,- per dag, met een maximum van
€ 1,-.
12. In het geval van [eiseres] betekent dit het volgende. De rechtbank draagt de Dienst Toeslagen op om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op het bezwaar van [eiseres] bekend te maken, op straffe van een dwangsom van € 1,- per dag, met een maximum van € 1,-.