ECLI:NL:RBOVE:2026:1581

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_2966
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen door Dienst Toeslagen met aangepaste dwangsom

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op haar bezwaar. Eerder had de rechtbank al meerdere keren een nadere beslistermijn opgelegd met een dwangsom van €250 per dag, maar ondanks deze dwangsommen is nog steeds geen besluit genomen.

De rechtbank constateert dat de wettelijke beslistermijn en de daaropvolgende termijnen ruimschoots zijn verstreken, en dat de opgelegde dwangsommen geen effectief prikkel hebben gevormd voor de Dienst Toeslagen om tot besluitvorming over te gaan. Gezien de omvang van de hersteloperatie toeslagen en de eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak, wordt een bijzondere situatie aangenomen.

Daarom legt de rechtbank nu een nadere beslistermijn van twee weken op, maar met een symbolische dwangsom van €1 per dag, met een maximum van €1. Dit omdat hogere dwangsommen geen effect hebben gehad en het opleggen daarvan niet langer verantwoord wordt geacht.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit, en veroordeelt de Dienst Toeslagen tot het betalen van proceskosten en het griffierecht aan eiseres. Tevens wijst de rechtbank op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een nadere beslistermijn van twee weken op met een dwangsom van €1 per dag, maximaal €1.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2966

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. B.E.R. Darantinao).

Samenvatting

Deze zaak gaat over een beroep wegens niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op het bezwaar van [eiseres] . De rechtbank heeft aan de Dienst Toeslagen in een eerder beroep wegens niet tijdig beslissen een nadere beslistermijn gegeven van twee weken, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500. Omdat nu meer dan 60 + 2 weken zijn verstreken sinds de wettelijke beslistermijn en nog altijd niet is beslist, is in geschil of en welke nadere beslistermijn de Dienst Toeslagen moet krijgen en op last van welke dwangsom. Omdat een steeds langere beslistermijn of steeds hogere dwangsom geen effect blijkt te hebben, geeft de rechtbank een nadere beslistermijn van twee weken op last van een dwangsom van € 1,- per dag, met een maximum van € 1,-.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat [eiseres] heeft ingesteld, omdat de Dienst Toeslagen volgens haar niet tijdig een besluit heeft genomen op haar bezwaar van
20 september 2022 tegen de besluiten van de Dienst Toeslagen van 12 september 2022 met de kenmerken:
  • UHT-DC-I A (definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag 2012);
  • UHT-DHR (beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag 2011);
  • UHT-DC I (definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag 2009 en 2010);
  • UHT-DH5 A (beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag 2012).
[eiseres] heeft de Dienst Toeslagen op 31 maart 2023 in gebreke gesteld.
De Dienst Toeslagen heeft op 31 mei 2023 vier keer de maximale dwangsom van € 1.442,- aan [eiseres] toegekend.
In de uitspraak van 14 juli 2023 (kenmerk ZWO 23/1124) heeft de rechtbank – voor zover relevant – het beroep gegrond verklaard, de Dienst Toeslagen opgedragen om binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift een besluit op het bezwaar van [eiseres] bekend te maken en bepaald dat de Dienst Toeslagen aan [eiseres] een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
[eiseres] heeft op 14 februari 2024 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.
In de uitspraak van 28 juni 2024 (kenmerk ZWO 24/1978) heeft de rechtbank – voor zover relevant – het beroep gegrond verklaard, de Dienst Toeslagen opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van die uitspraak een besluit op het bezwaar van [eiseres] bekend te maken en bepaald dat de Dienst Toeslagen aan [eiseres] een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
[eiseres] heeft op 21 januari 2025 voor de derde keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.
In de uitspraak van 7 mei 2025 (kenmerk ZWO 25/612) heeft de rechtbank – voor zover relevant – het beroep gegrond verklaard, de Dienst Toeslagen opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar van [eiseres] bekend te maken en bepaald dat de Dienst Toeslagen aan [eiseres] een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-.
[eiseres] heeft op 21 oktober 2025 voor de vierde keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift, dat op
27 november 2025 door de rechtbank is ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van [eiseres] is verschenen. De Dienst Toeslagen heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. In de eerdergenoemde uitspraak van 7 mei 2025 heeft de rechtbank het eerdere beroep van [eiseres] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar gegrond verklaard en de Dienst Toeslagen opgedragen om binnen de in die uitspraak genoemde termijn een besluit bekend te maken, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-. Omdat de Dienst Toeslagen nog steeds geen besluit heeft genomen en het maximum van de dwangsom is bereikt, heeft [eiseres] een herhaald beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingediend. Omdat de door de rechtbank gestelde beslistermijn is overschreden en het maximum van de dwangsom is bereikt, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn moet aan de Dienst Toeslagen worden opgelegd?
2. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [1] Vanwege de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld.
3. Naar aanleiding van het derde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar heeft de rechtbank in de uitspraak van 7 mei 2025 – met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025 – bepaald dat de Dienst Toeslagen een termijn krijgt van 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken. [2] In geval ten tijde van de uitspraak op het beroep al 60 weken zijn verstreken na de datum van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. [3]
3.1.
In het geval van [eiseres] is de wettelijke beslistermijn al op 17 januari 2023 verstreken. De termijn van 60 weken na de datum van de beslistermijn op bezwaar is in dit geval op
12 maart 2024 verstreken en de beslistermijn van twee weken na de dag van de uitspraak van de rechtbank van 7 mei 2025 is op 22 mei 2025 verstreken. De rechtbank ziet in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 geen aanleiding om de Dienst Toeslagen nu een langere beslistermijn te gunnen dan twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar van [eiseres] moet nemen.
Welke dwangsom wordt aan de Dienst Toeslagen opgelegd?
4. [eiseres] en de Dienst Toeslagen verzoeken de rechtbank om een dwangsom op te leggen van € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-. Zij verwijzen hierbij naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025.
5. Ter zitting heeft de gemachtigde van de Dienst Toeslagen toegelicht dat zodra een beroep niet tijdig beslissen wordt ingediend, het verweerschrift in het desbetreffende beroep met voorrang wordt opgepakt. Er volgt daarna een signaal naar de bezwaarafdeling, maar onduidelijk is wat er verder bij deze afdeling gebeurt. Voor deze specifieke zaak heeft de gemachtigde van de Dienst Toeslagen toegelicht dat de eerder door de rechtbank opgelegde dwangsommen weinig tot geen effect hebben gehad op de voortgang van de inhoudelijke behandeling van het bezwaar van [eiseres] .
6. Ter zitting heeft de gemachtigde van [eiseres] toegelicht dat van de oplegging van een nadere dwangsom wel degelijk een prikkel naar de Dienst Toeslagen uitgaat. Bij de behandeling van een andere zaak is een geplande hoorzitting naar aanleiding van een beroep niet tijdig beslissen vervroegd.
7. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van
26 maart 2025 heeft geoordeeld dat bij een gegrond beroep niet tijdig beslissen een nadere beslistermijn geldt van 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, op last van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. [4] Als al 60 weken zijn verstreken na de ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, wordt aan de uitspraak in beginsel een dwangsom verbonden van € 250,- per dag waarmee de nadere termijn van twee weken wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-. [5]
8. In het onderhavige beroep gaat het om een vierde gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen. De termijn van 60 weken na afloop van de beslistermijn is al twee jaar verstreken en alle eerder door de rechtbank opgelegde dwangsommen zijn ‘volgelopen’ zonder dat de Dienst Toeslagen tot op heden een besluit op het bezwaar van [eiseres] heeft genomen. De rechtbank kan niet anders vaststellen dan dat de opgelegde dwangsommen van onvoldoende prikkel zijn gebleken om alsnog tot besluitvorming over te gaan. Dit stelt de rechtbank voor de principiële vraag of het – in het licht van de problemen die de Afdeling reeds heeft genoemd in de uitspraak van
26 maart 2025 – opportuun is opnieuw een (forse) dwangsom aan de opgelegde beslistermijn te verbinden. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
9. Een rechterlijke dwangsom is een instrument dat tot doel heeft dat de rechtbank het bestuursorgaan een effectieve prikkel oplegt om een besluit alsnog binnen de nadere termijn bekend te maken. De wetgever heeft de rechtbank daarom ruimte gegeven om de hoogte van de dwangsom te bepalen, zodat deze kan worden afgestemd op de omstandigheden van het geval, en leidt tot een effectieve prikkel om het besluit alsnog binnen de gestelde nadere termijn bekend te maken. [6]
10. De rechtbank ziet geen aanleiding om opnieuw een dwangsom op te leggen in de orde van grootte zoals eerder is gebeurd, nu de 60 weken nadere beslistermijn zijn verstreken en in een eerder beroep een nadere beslistermijn van twee weken is gegeven met een nadere dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank concludeert dat van deze dwangsom geen effectieve prikkel uitgaat naar de Dienst Toeslagen om alsnog binnen de nadere termijn een besluit bekend te maken. Dit is een ernstige bestuurlijke tekortkoming die de rechtbank met het opleggen van nadere forse dwangsommen niet oplost. De rechtbank realiseert zich dat het instellen van een volgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit hierdoor zinledig dreigt te worden, maar acht het – gelet op de hoge maatschappelijke kosten – niet langer verantwoord om hoge dwangsommen te blijven opleggen die geen effect hebben op nakoming van de nadere beslistermijnen. Daarmee zou het instrument zijn doel immers voorbijschieten.
11. Gelet hierop bepaalt de rechtbank dat, indien de 60 weken nadere beslistermijn zijn verstreken en in een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen tegen eenzelfde besluit een nadere beslistermijn van twee weken aan de Dienst Toeslagen is gegeven met een nadere dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,- en de Dienst Toeslagen – na het ‘vollopen’ van die dwangsommen – nog in gebreke blijft om binnen de nadere termijn een besluit bekend te maken, aan de Dienst Toeslagen in een opvolgend beroep een nadere dwangsom wordt opgelegd van € 1,- per dag, met een maximum van
€ 1,-.
12. In het geval van [eiseres] betekent dit het volgende. De rechtbank draagt de Dienst Toeslagen op om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op het bezwaar van [eiseres] bekend te maken, op straffe van een dwangsom van € 1,- per dag, met een maximum van € 1,-.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat [eiseres] gelijk krijgt, dat de Dienst Toeslagen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen en dat aan de Dienst Toeslagen een dwangsom wordt opgelegd van € 1,- per dag waarmee de Dienst Toeslagen de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 1,-.
14. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan [eiseres] vergoeden en krijgt [eiseres] een vergoeding voor haar proceskosten. De Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank merkt de zaak als ‘licht’ aan en past een wegingsfactor 0,5 toe, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. [7]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de Dienst Toeslagen op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar aan [eiseres] bekend te maken;
  • bepaalt dat de Dienst Toeslagen aan [eiseres] een dwangsom moet betalen van € 1,- per dag waarmee de Dienst Toeslagen de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 1,-;
  • veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van [eiseres] tot een bedrag van € 934,-;
  • bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan [eiseres] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
S.H.J. van de Looi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarom deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560.
7.De rechtbank wijst op vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253. Voor zaken als deze heeft de Afdeling dit ook expliciet bepaald in de al genoemde uitspraak van 26 maart 2025.