Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2143

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
ak_24_407
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:72 AwbArt. 6 EVRMBesluit proceskosten bestuursrechtWet tarieven in strafzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid WIA-besluit over toegenomen arbeidsongeschiktheid na whiplashtrauma

Eiser meldde zich op 20 maart 2023 bij het UWV vanwege vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid in het kader van de WIA. Het UWV stelde dat er geen relevante verslechtering was en handhaafde een arbeidsongeschiktheidspercentage van 52,59%.

Eiser voerde aan dat zijn beperkingen, voortvloeiend uit een whiplashtrauma, zijn toegenomen en ondersteunde dit met neuropsychologisch onderzoek en rapportages van neuroloog Niewold. De verzekeringsartsen van het UWV vonden geen aanleiding om de functionele mogelijkhedenlijst (FML) aan te passen.

De rechtbank oordeelt dat het UWV de medische informatie van eiser onvoldoende heeft weerlegd. De resultaten van het neuropsychologisch onderzoek en de rapportages van Niewold schetsen een ander beeld dan het UWV, met name over cognitieve beperkingen en urenbeperking. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen.

Daarnaast krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €6.706,79 en een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het UWV moet ook het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het UWV-besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van het medisch oordeel en het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/407

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: J.R. Beukema),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: J. van Dalfsen),
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het UWV naar aanleiding van de melding van eiser dat hij zich toegenomen arbeidsongeschikt acht in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV stelt dat er geen sprake is van een relevante toename. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en heeft een aantal eigen deskundigen ingeschakeld om zijn standpunt te onderbouwen. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de medische informatie zoals door eiser in beroep overgelegd onvoldoende heeft weerlegd. Eiser heeft met deze informatie voldoende twijfel gezaaid over de juistheid van het medisch oordeel van het UWV. Eiser krijgt gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft zich op 28 maart 2023 bij het UWV gemeld in het kader van een herbeoordeling vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 20 maart 2023
Bij besluit van 31 juli 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV eiser meegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheid is gewijzigd en thans 52,59% bedraagt. Hij krijgt vanaf 31 augustus 2023 een vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), waarbij hij is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.
Eiser heeft tegen dit besluit op 30 augustus 2023 een bezwaarschrift ingediend.
Met het bestreden besluit van 4 december 2023 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is vanaf 1 augustus 2008 gedurende 39,77 uur per week werkzaam geweest als [functie] in dienst van Akzo Nobel Car Refinishes. Op 2 september 2019 was hij betrokken bij een verkeersongeval waarbij hij stilstond met zijn auto en van achteren is aangereden. Eiser heeft zich op 3 september 2019 ziekgemeld. Op 3 juni 2021 heeft eiser een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV eiser met een besluit van 8 november 2021 een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend met ingang van 31 augustus 2021. Eiser is voor 50,36% arbeidsongeschikt geacht. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar heeft het UWV bij besluit van 15 maart 2022 ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld.
In verband met het einde van eisers loongerelateerde WGA-uitkering heeft het UWV bij besluit van 23 mei 2023 eisers uitkering met ingang van 31 augustus 2023 voortgezet als WGA-vervolguitkering. Eiser is daarbij (vooralsnog) ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.
Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje “procesverloop".
Standpunt van het UWV4. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat geen sprake is van een medisch te objectiveren verslechtering. De belastbaarheid van eiser is nog steeds gelijk aan de belastbaarheid zoals die is vastgesteld op 12 oktober 2021 en is neergelegd in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van die datum. Volgens de verzekeringsarts geldt deze belastbaarheid zowel op 20 maart 2023 (datum melding toename) als op 30 augustus 2023 (datum omzetting naar de vervolguitkering).
Bij arbeidskundig onderzoek is gebleken dat eiser met zijn beperkingen nog steeds dezelfde functies kan verrichten die eerder voor hem zijn geselecteerd. In deze functies kan eiser nu 52,59% minder verdienen dan zijn maatman, in dit geval een gezonde [functie] gedurende 39,77 uur per week. Met dit percentage wordt eiser ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.
In de reactie van het UWV van 1 oktober 2024 vermeldt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat in de gronden van beroep en de uitkomsten van het neuropsychologisch onderzoek (NPO) geen reden wordt gezien om de FML te wijzigen.
Beroepsgronden5. Eiser stelt dat het onderzoek door het UWV onzorgvuldig is geweest en dat hij vanaf 20 maart 2023 meer beperkingen heeft dan is aangenomen. Volgens het verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash vloeien uit dit ziektebeeld klachten en beperkingen voort van pijn, vermoeidheid en cognitieve problemen. Eiser ervaart al die problemen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser verwezen naar het rapport NPO dat op 27 augustus 2024 is uitgebracht en naar het rapport van 18 februari 2025 en de aanvullende rapportage van 15 augustus 2025 van neuroloog Niewold (hierna: rapportages Niewold). In deze aanvullende rapportage geeft Niewold aan dat eiser niet meer dan 4 uur per dag kan werken en 20 uur per week. De klachten en beperkingen van eiser zijn door de resultaten van deze beide onderzoeken geobjectiveerd. Het UWV had hierin aanleiding moeten zien om de FML aan te passen.
Tot slot heeft eiser verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de WIA-uitkering. In geschil is of eiser per 20 maart 2023 voor 52,59% arbeidsongeschikt is. Zij beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden.
Zorgvuldig onderzoek
6.1
Eiser heeft zich per datum 20 maart 2023 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts eiser naar aanleiding van zijn melding heeft gesproken en psychisch onderzocht. Ook heeft de verzekeringsarts de medische informatie van de behandelaars van eiser in zijn beoordeling betrokken. Zijn conclusies heeft de verzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 4 juli 2023 en een FML van die datum. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een dossieronderzoek verricht en heeft eiser gesproken op zijn spreekuur. Hij heeft de door eiser in bezwaar ingebrachte (medische) informatie meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn visie neergelegd in de rapportage van 30 november 2023. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onderzoek op zichzelf zorgvuldig geweest.
Toetsingskader
7. Ter zitting heeft de gemachtigde van het UWV erkend dat door de verzekeringsartsen in de primaire en bezwaarfase een te beperkt toetsingskader is gehanteerd door alleen te kijken of er een toename is van de beperkingen ten aanzien van de eerdere beoordeling. Immers, de gehele gezondheidssituatie van eiser dient beoordeeld te worden.
In beroep is echter aanvullend gerapporteerd waarin wel de volledige huidige medische situatie op de juiste wijze is beoordeeld, aldus het UWV. Hierin is echter ook geen aanleiding gevonden voor het UWV om aanvullende beperkingen op te nemen in de FML. De rechtbank zal dan ook beoordelen of het besluit met de aanvullende rapportages stand kan houden.
Standpunten partijen in beroep
8. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen komt naar voren dat zij in de ingebrachte medische informatie geen aanwijzingen hebben kunnen vinden voor de door eiser aangegeven verslechtering. Dat de gezondheid van eiser sinds de eerste beoordeling is verslechterd en dat daardoor zijn belastbaarheid is afgenomen laat zich niet objectiveren. Evenmin wordt deze stelling ondersteund door de ingebrachte medische informatie, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
10. In beroep heeft eiser een NPO van 28 augustus 2024 overgelegd.
Hierin worden bij eiser afwijkingen gevonden op het gebied van verdelen aandacht en volhouden van aandacht, concentratie gedurende de dag en tempo.
In reactie op de vraag in hoeverre het aannemelijk is te achten dat de door de NPO onderzoeker geconstateerde problematiek ook van toepassing was op datum in geding (28 maart 2023) is het volgende geantwoord:

Dat is mijns inziens zeer aannemelijk: alle gegevens overziend kan worden gesteld dat er bij betrokkene sinds het ongeval in september 2019 en tot op heden sprake is van een combinatie van aanhoudende pijnklachten, cognitieve klachten en energetische klachten. Een multidisciplinair revalidatietraject in 2020 heeft wel geleid tot meer inzicht en een betere energieverdeling, maar niet tot merkbare verbeteringen op functioneel niveau”.
Voorts heeft eiser een rapportage en een aanvullende rapportage van neuroloog Niewold overgelegd van februari en augustus 2025 waaruit aanvullende beperkingen volgen.
11. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op de resultaten van het NPO gereageerd bij rapportage van 1 oktober 2024. Hij heeft daarbij aangegeven dat de uitkomst van het NPO geen reden is om de door de primaire verzekeringsarts opgestelde en de door hem bevestigde FML te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet daarom ook geen reden om alsnog een urenbeperking toe te kennen.
In de rapportage van 13 mei 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich nogmaals op het standpunt gesteld dat een verslechtering van eisers medische klachten niet is geobjectiveerd.
Medische beoordeling.12.1 De rechtbank is van oordeel dat de medische beoordeling zoals door het UWV vastgesteld in het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank is van oordeel dat de informatie uit het NPO en de rapportages van Niewold onvoldoende door het UWV zijn weerlegd in de aanvullende medische rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 oktober 2024 en 13 mei 2025. Hierdoor bestaat twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het UWV.
12.2
De rechtbank wijst er daarbij ten eerste op dat een NPO van belang kan zijn om het cognitief functioneren volledig in kaart te brengen. Dit wordt door het UWV blijkens rechtspraak ook erkend. [1] Volgens vaste rechtspraak [2] hebben cognitieve tekorten die bij een NPO worden vastgesteld, voor de beantwoording van de vraag of voor de toepassing van de arbeidsongeschiktheidswetten sprake is van relevante arbeidsbeperkingen, slechts betekenis indien die cognitieve tekorten in een medisch-specialistisch rapport kunnen worden herleid naar medisch vastgestelde stoornissen. Niet in geschil is dat bij eiser sprake is van klachten die het gevolg zijn van een whiplashtrauma, zijnde een medisch vastgestelde stoornis. Aan de bevindingen van de het NPO is te weinig waarde toegekend omdat de klachten van eiser te herleiden zijn tot dit whiplashtrauma. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.
Gesteld noch gebleken uit het NPO is dat sprake zou zijn van aggraveren of onderpresteren. Er is daarom geen reden om op voorhand vanwege die reden de resultaten terzijde te schuiven.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat de uitkomsten van het NPO in grote lijnen consistent moeten zijn met het dagelijks functioneren van de onderzochte persoon. De rechtbank constateert dat daar sprake van is, gelet op eisers dagverhaal en de andere beschikbare medische informatie.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat gebleken is dat eiser 's ochtends aanzienlijk beter presteerde dan ’s middags tijdens het NPO. Hij stelt zich vervolgens op het standpunt dat dit niet het geval zou zijn geweest wanneer er organische schade aan het verminderde presteren ten grondslag ligt. Niewold heeft echter een andere verklaring gegeven voor dit verminderde presteren; namelijk dat door de slaapproblematiek van eiser 's nachts er overdag slaapbehoefte is en in de middag vermoeidheid ontstaat. Deze vermoeidheid wordt mede in de hand gewerkt door toenemende pijnklachten van de cervicale wervelkolom met toenemende hoofdpijnklachten, aldus Niewold. Dit komt de rechtbank niet onaannemelijk voor en is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet onderbouwd weerlegd. Er is slechts een andere mogelijkheid weergegeven. De rechtbank acht dit onvoldoende gemotiveerd.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts gesteld dat de onderzoeker in het NPO ten aanzien van de vermoeidheid en concentratie voorbij gaat aan het feit dat de belasting door het NPO onderzoek zich moeilijk laat vergelijken met de belasting in werk.
Het NPO vermeldt echter juist dat het lastig is om op basis van deze bevindingen een concrete vertaalslag te maken naar de algemene concentratiespanne in het dagelijks leven: de onderzoekssituatie is immers per definitie prikkelarm en weinig belastend wat betreft de complexe aandachtsfuncties (alleen bij specifieke tests wordt daarop een beroep gedaan maar verder is de gang van zaken rustig, gecontroleerd en duidelijk), terwijl er in zowel dé thuis- als de werksituatie vaak sprake is van drukte/meerdere prikkels tegelijk, afleiding, storing en/of onderbreking. Dit is in tegenspraak met het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De onderzoekssituatie is immers prikkelarm en desalniettemin treedt bij eiser in de middag vermoeidheid op.
De stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat vrijwel iedereen die een dergelijk onderzoek (NPO) heeft ondergaan laat weten dit als vermoeiend te hebben ervaren wordt ook daarom niet zonder nadere onderbouwing gevolgd.
In de aanvullende rapportage van augustus 2025 heeft Niewold zich op het standpunt gesteld dat een urenbeperking aangenomen had moeten worden. Hij acht eiser in staat gemiddeld vier uur per dag te werken, 20 uur per week. Tevens is eiser aangewezen op regelmatige werktijden.
Gelet op het eigen onderzoek van Niewold, de beschikbare medische informatie, het dagverhaal van eiser en de bevindingen uit het NPO is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen urenbeperking is aangenomen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, omdat een verzekeringsgeneeskundige beoordeling vereist is.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en is ter zitting verschenen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1868,-.
Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht moet een veroordeling in de kosten van een deskundigenverslag worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wts). Nu het door de deskundigen gehanteerde uurtarief niet hoger is dan het in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts) genoemde maximumtarief, komen de kosten voor de rapportage van Niewold en van het MEAC ten behoeve van het NPO volledig voor vergoeding in aanmerking, ten bedrage van € 4.838,79.
De totale proceskostenvergoeding komt daarmee op een bedrag van € 6.706,79.
9.3
Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende.
In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd.
De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Vanaf de datum van ontvangst door het UWV van het bezwaarschrift op 30 augustus 2023 tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure twee jaar en acht maanden geduurd. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. In de zaak zelf en in de opstelling van eiseres zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Het proces rond de benoeming van een deskundige in deze zaak heeft tot een langere procedure geleid. Als uitgangspunt geldt echter dat de inschakeling van een deskundige een langere behandelingsduur in de rechterlijke fase in beginsel niet rechtvaardigt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de hiervoor genoemde behandelingsduur die voor de rechterlijke fase geldt, in het algemeen voldoende ruimte bieden voor het normale verloop van een procedure, de inschakeling van een deskundige daaronder begrepen. Dit alles leidt tot een schadevergoeding van € 1000,- als gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn door de rechtbank te betalen door de Staat.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 december 2023;
- draagt het UWV op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het de Staat tot het betalen van € 1000,- aan schadevergoeding aan eiser;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 6.706,79 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:991, r.o. 5.3
2.Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 3 oktober 2008,ECLI:NL:CRVB:2008:BF6777