ECLI:NL:CRVB:2025:991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende motivering bij beëindiging WIA-uitkering wegens onderschatting ME/CVS-beperkingen
Appellante, voormalig financieel manager, meldde zich ziek na een auto-ongeluk en kreeg een WIA-uitkering toegekend. Het UWV beëindigde deze uitkering per 31 juli 2019 op basis van een nieuwe beoordeling die de beperkingen door ME/CVS onvoldoende meenam. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de belastbaarheid juist was vastgesteld op basis van de diagnose Whiplash Associated Disorder (WAD).
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen door ME/CVS waren onderschat en overlegde medische rapporten van cardiologen Visser en Van Campen. De Raad benoemde emeritus hoogleraar Van der Meer als deskundige, die bevestigde dat de gebruikte onderzoeksmethoden wetenschappelijk verantwoord zijn en dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met de beperkingen door ME/CVS, waaronder urenbeperking, POTS en cognitieve beperkingen.
Het UWV nuanceerde tijdens de zitting haar standpunt en erkende deels de conclusies van Van der Meer. De Raad concludeerde dat het besluit van het UWV niet deugdelijk was gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12 Awb Pro, en droeg het UWV op het gebrek te herstellen door de Functionele Mogelijkhedenlijst aan te passen aan de bevindingen van Van der Meer. Een definitieve uitspraak volgt na herstel van het besluit.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WIA-uitkering te beëindigen is onvoldoende gemotiveerd en moet worden herzien met inachtneming van de beperkingen door ME/CVS.