Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2374

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
84.045049.24 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 4 Arbeidsomstandighedenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende toezicht op naleving veiligheidsvoorschriften bij arbeidsongeval met AGV

Op 4 januari 2024 vond een dodelijk arbeidsongeval plaats in het kaaspakhuis van verdachte, waarbij een werknemer bekneld raakte tussen een muur en een automatisch geleid voertuig (AGV). Verdachte werd ten laste gelegd dat zij de Arbeidsomstandighedenwet had overtreden door onvoldoende toezicht te houden op de naleving van veiligheidsvoorschriften, met name het gebruik van pionnen bij handmatige verplaatsing van AGV's.

De rechtbank heeft onderzocht of verdachte als werkgever voldoende toezicht heeft gehouden op de naleving van instructies en voorschriften gericht op het voorkomen van risico’s verbonden aan het werk met AGV’s. Uit het dossier bleek dat verdachte zorgde voor voorlichting, instructie en regelmatige controles, en dat de betrokken werknemer ervaren was en wist dat pionnen gebruikt moesten worden.

De rechtbank oordeelde dat van verdachte niet kan worden verwacht continu toezicht te houden op ervaren werknemers en dat het ontbreken van toezicht op het moment van het ongeval niet voldoende bewijs is voor onvoldoende toezicht. Camerabeelden en getuigenverklaringen ondersteunden dit oordeel. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van onvoldoende toezicht op naleving van veiligheidsvoorschriften bij arbeidsongeval met AGV.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.045049.24 (P)
Datum vonnis: 30 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] B.V.,
gevestigd op het adres [vestigingsplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van
9 april 2026 en 30 april 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen namens verdachte door [naam 1], directeur van de vestiging van verdachte te [plaats], en door haar raadsman mr. R. de Bree, advocaat in 's-Gravenhage, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte de Arbeidsomstandighedenwet heeft overtreden, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemer
[slachtoffer 2] ontstond of te verwachten was.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
zij op een of meerdere momenten in de periode van 2 januari 2024 tot en met 4 januari 2024 te [plaats], in ieder geval in Nederland,
als werkgever al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen,
immers, heeft zij, verdachte, door één of meerdere werknemers, waaronder [slachtoffer 2], arbeid doen en/of laten verrichten, bestaande uit het handmatig verrijden van een (in storing geraakt) Automatisch Geleid Voertuig (AGV), zijnde een arbeidsmiddel,
in haar vestiging aan de [adres] te [plaats], zijnde een arbeidsplaats,
terwijl in strijd met artikel 8 lid Pro 4 Arbeidsomstandighedenwet niet (toereikend) werd toegezien op de naleving van instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de risico's met betrekking tot het verrichten van arbeid met automatisch geleide voertuigen (AGV’s), in elk geval onvoldoende toezicht gehouden op de naleving van de voorschriften,
- beschreven in de risico inventarisatie en evaluatie (RI&E) (zie DOC-004-07, pag.0239); en/of
- beschreven in de risico-inventarisatie –AGV (zie DOC-004-08, pag. 0260),
terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers, waaronder [slachtoffer 2], ontstond of te verwachten was.

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
Op 4 januari 2024 vond een arbeidsongeval plaats in een kaaspakhuis van verdachte aan de [adres] in [plaats]. [slachtoffer 2] was werknemer van verdachte en had als functie operator folielijn. Onderdeel van deze functie is het bedienen, instellen en controleren van de automatisch geleide voertuigen (AGV's) en het oplossen van kleine technische storingen. AGV’s zijn vorkheftrucks die in het kaaspakhuis worden gebruikt voor het vervoer van goederen.
Vlak voor het ongeval bracht [slachtoffer 2] de in storing geraakte AGV 14 met de handbediening naar een initialisatiepunt om hem opnieuw in het systeem te zetten. Tijdens het handmatig verplaatsen van AGV 14 werd de betreffende AGV niet door het centrale systeem waargenomen. In geval een AGV zijn positie kwijt is, legt het systeem in een cirkel van 12,6 meter rondom de laatst bekende plaats van de AGV alle andere AGV’s stil. De grootte van deze cirkel is zodanig dat er binnen deze cirkel altijd een initialisatiepunt aanwezig is. [slachtoffer 2] heeft om onbekende redenen ervoor gekozen de AGV 14 niet naar het dichtstbijzijnde initialisatiepunt te rijden.
Om te voorkomen dat een AGV wanneer deze handmatig wordt verplaatst, kan worden aangereden door een andere AGV, is er een werkinstructie opgesteld. Hierin staat dat bij werkzaamheden in het gebied waar de AGV's rijden gebruik moet worden gemaakt van pionnen om de werkplek af te zetten. Dit om beknellingsgevaar of een aanrijding te voorkomen. Onderin elke AGV zit aan de voor- en achterkant een sensor (van het merk Sick) die objecten (zoals een pion) waarneemt. Wanneer de afstand tussen de sensor en een waargenomen object kleiner wordt dan 30 centimeter, stopt de AGV.
[slachtoffer 2] had tijdens het handmatig verplaatsen van AGV 14 geen pionnen geplaatst. Op het moment dat AGV 14 op het initialisatiepunt stond, werd AGV 14 aangereden door AGV 11. AGV 11 reed tegen de kisten die op de lepels van AGV 14 stonden. De lepels van AGV 14 waren niet naar beneden gebracht, maar stonden op circa 30 centimeter boven de grond. De Sick-sensor van AGV 11 ‘keek’ daarom onder de lepels van AGV 14 door en detecteerde geen obstakel binnen 30 centimeter, waardoor AGV 11 bleef doorrijden. AGV 11 duwde AGV 14 richting een muur. [slachtoffer 2] probeerde in te grijpen, maar raakte bekneld tussen een muur en AGV 14. Hij overleed ter plaatse aan zijn verwondingen.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – conform haar op schrift gestelde requisitoir – zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, overeenkomstig zijn pleitnota, vrijspraak bepleit.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat het in deze zaak niet gaat om de vraag wie schuld heeft aan het arbeidsongeval waarbij [slachtoffer 2] om het leven is gekomen.
Verdachte wordt verweten de Arbeidsomstandighedenwet te hebben overtreden, waardoor levensgevaar of schade aan de gezondheid van werknemers is ontstaan. Verdachte is als werkgever in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet aan te merken. Het ongeval heeft zich voorgedaan op een arbeidsplaats.
De rechtbank dient meer concreet de vraag te beantwoorden of verdachte, als werkgever, voldoende toezicht heeft gehouden op de naleving van de instructies en voorschriften die gericht zijn op het voorkomen of beperken van de risico’s die aan de werkzaamheden zijn verbonden, zoals bepaald in artikel 8, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet. Zij overweegt daartoe als volgt.
Uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het antwoord op de vraag wanneer sprake is van voldoende feitelijk toezicht afhangt van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de werkzaamheden, de ervaring van de werknemer en zijn positie in het bedrijf. Van een werkgever kan in beginsel niet worden gevergd dat hij voortdurend een toezichthouder naast een ervaren werknemer plaatst. De enkele omstandigheid dat er geen toezichthouder aanwezig is op het moment van een ongeval, is op zichzelf niet voldoende om te komen tot het oordeel dat de werkgever niet voldoende feitelijk toezicht op de werkzaamheden heeft gehouden. De werkgever dient, ook bij ervaren werknemers, wel met enige regelmaat de naleving van instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de aan de te verrichten werkzaamheden verbonden risico’s te controleren en/of te bespreken. Ook dient het feitelijke toezicht van dusdanige aard te zijn dat werknemers hierdoor worden gestimuleerd zich aan de veiligheidseisen te houden. [1]
Uit het dossier blijkt dat verdachte heeft gezorgd voor voorlichting en instructie op het gebied van veiligheid. De kennis en kunde van medewerkers werd getoetst tijdens assessments. [slachtoffer 2] had anderhalve maand vóór het ongeluk nog een assessment met goed gevolg afgesloten. Het op veilige wijze handmatig verplaatsen van een AGV is hierbij aan de orde geweest.
Uit het dossier blijkt verder dat verdachte ook regelmatig controleerde of haar werknemers de veiligheidsinstructies nakomen en dat zij dit ook bespreekbaar heeft gemaakt. In de Risico- inventarisatie en -evaluatie (RI&E) staat dat afdelingsmanagers, shiftmanagers en SHE-medewerkers regelmatig rondes lopen door de fabriek en medewerkers aanspreken als ze onveilig gedrag vertonen. Uit het bestand ‘Toezicht Pakhuis 2023’ blijkt ook dat op
5 april 2023 een medewerker is aangesproken omdat hij geen pion gebruikte.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de teamleiding en het management mensen aanspreken op onveilig werkgedrag en dat collega’s onderling dit ook doen. Als hijzelf ziet dat een collega geen pion gebruikt, spreekt hij die collega aan en maakt hij een veiligheidsmelding. Ook getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij collega’s aanspreekt als zij geen pion gebruiken. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat teamleiders regelmatig rondlopen op de werkvloer en dat er afspraken zijn gemaakt dat een ieder elkaar aanspreekt bij onveilig werkgedrag.
[slachtoffer 2] was een zeer ervaren medewerker en werkte veel met de AGV’s. Zijn werkzaamheden bestonden (mede) uit het oplossen van storingen van de AGV’s. Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] wist dat hij pionnen moest gebruiken bij een handmatige verplaatsing van een AGV, maar dat hij dit ten tijde van het ongeval niet heeft gedaan. In lijn met voornoemde jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat van verdachte niet kan worden verwacht dat er continu toezicht wordt gehouden op het handelen van een ervaren werknemer zoals [slachtoffer 2]. Het enkele feit dat er ten tijde van het ongeval niemand aanwezig was om te controleren of hij een pion gebruikte om zijn werkplek af te zetten, kan niet zelfstandig de conclusie dragen dat verdachte onvoldoende toezicht heeft gehouden. Uit de stills van camerabeelden van 2 en 3 januari 2024 kan evenmin worden afgeleid dat verdachte niet afdoende toezicht hield op de naleving van veiligheidsinstructies door haar werknemers. Anders dan door de arbeidsinspectie is aangenomen zijn de personen die op deze beelden lopen binnen de rode belijning geen werknemers van verdachte. Bovendien heeft arbeidsinspecteur [naam 2] ter zitting verklaard dat op beelden van 3 januari 2024 om 10:17 en 10:19 uur (toch) zichtbaar een pion is gebruikt.
Gelet voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte onvoldoende toezicht heeft gehouden op de naleving van de veiligheidsinstructies, in het bijzonder het gebruik van pionnen bij werkzaamheden in het gebied waar de AGV's rijden.
Zij spreekt verdachte daarom vrij van het tenlastegelegde.

4.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, voorzitter, mr. H. Stam en
mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Vis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.

Voetnoten

1.ABRvS 18 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3220, rov. 2.4.2.; ABRvS 23 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP8743, rov. 2.6.3.; ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:957, rov. 4.8.; ABRvS 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2500, rov. 6.2. en ABRvS 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3189, rov. 8.1.