ECLI:NL:RBOVE:2026:3195

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/08/347324 / KG ZA 26-108
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • H. Bottenberg-van Ommeren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 770b RvArt. 704 lid 2 RvArt. 705 lid 2 RvArt. 706 RvArt. 1:87 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maritaal beslag op verkoopopbrengst woning na echtscheiding

Na de echtscheiding tussen partijen ontstond een geschil over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, met name over de netto-verkoopopbrengst van de echtelijke woning die op een derdengeldrekening bij een notaris stond. De man legde conservatoir maritaal beslag op het deel van de vrouw in deze opbrengst. De vrouw vorderde in kort geding opheffing van het beslag en uitkering van de depotgelden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het beslag opgeheven moet worden omdat in de bodemprocedure is vastgesteld dat de man geen vordering heeft op de huwelijksgemeenschap. De man voerde aan dat hij hoger beroep zal instellen en een restitutierisico loopt bij uitkering, maar dit woog niet op tegen het oordeel van de bodemrechter.

De vrouw vorderde ook een verklaring voor recht dat zij recht heeft op het bedrag en een bevel aan de notaris tot uitkering, maar deze vorderingen werden afgewezen omdat een verklaring voor recht niet in kort geding kan worden gegeven en de notaris geen partij is. Verder werden vorderingen tot medewerking en dwangsom afgewezen. Proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

De voorzieningenrechter wees de vorderingen van de man in reconventie af, waaronder het handhaven van het beslag. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door mr. H. Bottenberg-van Ommeren op 5 juni 2026.

Uitkomst: Het maritale beslag op de verkoopopbrengst van de woning wordt opgeheven en de overige vorderingen van de vrouw worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/347324 / KG ZA 26-108
Vonnis in kort geding van 5 juni 2026
in de zaak van
[partij A],
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. I. Mercanoglu,
tegen
[partij B],
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. Z. Basaran-Acer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, die op 7 mei 2026 is betekend, met 10 producties,
- de conclusie van antwoord, ingediend op 18 mei 2026, met 7 producties,
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen namens [partij A] , tijdens de mondelinge behandeling voorgedragen door mr. Mercanoglu,

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
Dit kort geding gaat over een verzoek tot opheffing van een maritaal beslag en een verzoek tot uitkering van depotgelden die bij een notaris staan. Na een echtscheiding hebben de man en de vrouw een geschil over de afwikkeling en verdeling van de huwelijksgemeenschap. Hangende de bodemprocedure bij de familierechter, heeft de man beslag gelegd op het aan de vrouw toekomende deel van de netto-verkoopopbrengst van de echtelijke woning, dat op de derdengeldrekening van een notaris staat. In dit kort geding vordert de vrouw opheffing van het beslag en een veroordeling van de notaris om tot uitkering van de depotgelden over te gaan. Het beslag wordt door de voorzieningenrechter opgeheven, omdat in de bodemprocedure door de rechter is geoordeeld dat de man in dit kader geen vordering heeft op de huwelijksgemeenschap. De standpunten van de man dat hij (i) het niet eens is met de beslissing in de bodemprocedure en hoger beroep gaat aantekenen en (ii) een restitutierisico loopt indien de notaris de depotgelden gaat uitkeren, leggen onvoldoende gewicht in de schaal in verhouding tot het oordeel van de rechter in de bodemprocedure. De overige vorderingen van de vrouw worden afgewezen.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn op [datum 1] 2023 met elkaar getrouwd. Het huwelijk is geëindigd door een beschikking van de rechtbank Overijssel van [datum 2] 2026 (hierna: ‘de Beschikking’).
3.2.
In de procedure die heeft geleid tot de Beschikking, was (mede) aan de orde de afwikkeling en verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen.
3.3.
Gedurende de procedure die heeft geleid tot de Beschikking, is de echtelijke woning van partijen, gelegen aan de [adres] (hierna: ‘de Woning’), verkocht aan derden. De verkoopprijs bedroeg € 360.000,00.
3.4.
De Woning is door [partij A] en [partij B] aan de kopers overgedragen op 31 oktober 2025. Op diezelfde dag heeft een deurwaarder namens [partij B] , ten laste van [partij A] , conservatoir maritaal derdenbeslag gelegd bij notariskantoor [bedrijf] B.V. (hierna: ‘de Notaris’).
3.5.
Het beslag is door [partij B] gelegd op een gedeelte van de koopsom van de Woning die op 31 oktober 2025 door de kopers van de Woning bij de notaris is gestort. De netto overwaarde van de Woning is door [partij B] in het verzoekschrift tot het leggen van het beslag – afgezien van de notariskosten – becijferd op € 89.159,38. Het aandeel van [partij A] hierin zou volgens het verzoekschrift de helft daarvan bedragen: € 44.579,69.
3.6.
In de Beschikking is – voor zover van belang – het volgende geoordeeld:
“3.50. De echtelijke woning aan de [adres] is door partij gekocht en geleverd gekregen op 1 februari 2024 voor een koopsom van € 272.000. De woning is inmiddels verkocht voor € 360.000 en geleverd aan de nieuwe eigenaren. De netto-opbrengst is nog niet verdeeld, omdat de man eerst duidelijkheid wil hebben over het door hem gestelde vergoedingsrecht.
3.51.
De man stelt een vergoedingsrecht te hebben van € 26.699 op de gemeenschap op grond van de beleggingsleer van artikel 1:87 BW Pro. Subsidiair baseert hij zijn vergoedingsrecht ten laste van de vrouw voor het nominale bedrag. Hij stelt dat hij met privévermogen een bedrag van € 21.388,41 heeft geïnvesteerd in het gemeenschappelijk goed van partijen (de woning). De woning is op 1 februari 2023 overgedragen aan partijen en de man heeft voorafgaand aan het ontstaan van een huwelijksgoederengemeenschap een deel van de kosten voor de woning voldaan. (…)
(…)
3.53.
De rechtbank stelt voorop dat de gestelde betalingen door de man zijn onderbouwd met bankafschriften en facturen. Hieruit volgt dat hij op de gestelde data deze betalingen heeft verricht ten behoeve van de gemeenschappelijke woning, maar voorafgaand aan het huwelijk van partijen. Hiermee is volgens de rechtbank afdoende aangetoond dat de man met privévermogen deze betalingen heeft verricht.
3.54.
De volgende vraag is of hij op grond van artikel 1:87 BW Pro een vergoedingsrecht heeft en of de beleggingsleer van toepassing is. De rechtbank maakt bij de bespreking onderscheid in de verschillende opgevoerde posten en stelt voorop dat het gaat om voorhuwelijkse betalingen met betrekking tot een gezamenlijke woning. Eerst zal worden ingegaan op het aandeel van de man in de betaling van de koopprijs van de gemeenschappelijke woning.
3.55.
In de aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2025 gaat het ook over een situatie dat de ene echtgenoot vóór het huwelijk meer heeft bijgedragen aan de koopprijs van de gezamenlijke woning dan de andere echtgenoot. Deze zogenaamde ‘meerinbreng’ is echter geen vordering die in de huwelijksgemeenschap valt. Een regresvordering kan wel gebaseerd worden op artikel 6:10 lid 2 BW Pro, aangezien de man meer heeft betaald in verhouding tot de vrouw. De vrouw had geen middelen om een bijdrage te leveren terwijl zij wel hoofdelijk aansprakelijk was voor de koopsom van de gezamenlijke woning. Naast de betaling van € 12.188,41 is de woning gefinancierd met een hypotheek. De man heeft daarom de helft van genoemd bedrag ‘meer’ ingebracht dan de vrouw en heeft op haar een regres voor de helft van het bedrag: € 6.094,20. De beleggingsleer is niet van toepassing, aangezien de betalingsverplichting vóór het huwelijk is ontstaan.
3.56.
De betaling van de keuken en de zonnepanelen door de man kunnen evenmin gebaseerd worden op artikel 1:87 BW Pro, nu deze betalingen ook vóór het huwelijk zijn verricht.
(…)
3.59
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld. (…)”

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[partij A] vordert – verkort weergegeven – het volgende:
( i) opheffing van het beslag dat onder de Notaris ligt;
( ii) te bepalen dat [partij A] op grond van de Beschikking recht heeft op een bedrag van € 44.579,69 uit de bij de Notaris in depot gehouden gelden;
( iii) de Notaris te bevelen om over te gaan tot uitbetaling aan [partij A] van het onder (ii) genoemde bedrag;
( iv) te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van iedere vereiste toestemming, medewerking of wilsverklaring van [partij B] , zodat de Notaris zelfstandig uitvoering kan geven aan het vonnis;
( v) [partij B] te veroordelen om zich te onthouden van iedere belemmering aan de uitvoering van het vonnis, dan wel [partij B] te veroordelen om medewerking te verlenen aan de uitvoering van het vonnis, beide op straffe van een dwangsom;
( vi) een veroordeling van [partij B] in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten.
4.2.
[partij A] legt aan haar vordering het standpunt ten grondslag dat uit de Beschikking volgt dat zij recht heeft op € 44.579,69, zijnde haar aandeel in de overwaarde die is gerealiseerd bij de verkoop van de Woning. Volgens [partij A] is het beslag ten onrechte gelegd en heeft [partij B] geen recht op en belang bij handhaving van het beslag. [partij A] voert aan dat zij een belang heeft bij opheffing, omdat zij genoemd bedrag nodig heeft om haar leven na de echtscheiding weer te kunnen opbouwen.
4.3.
[partij B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] . [partij B] legt aan zijn verweer het standpunt ten grondslag dat hij het niet eens is met de inhoud van de Beschikking en deze in hoger beroep gaat aanvechten. Volgens [partij B] is de kans groot dat dat in hoger beroep alsnog zal worden geoordeeld dat hij zich kan verhalen op een deel van de overwaarde van € 44.579,69, die in beginsel aan [partij A] toekomt. [partij B] betoogt ook dat hij een restitutierisico loopt indien de Notaris nu tot uitkering aan [partij A] zou overgaan, omdat de vermogenspositie van [partij A] moeizaam is.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
4.5.
De reconventionele vordering van [partij B] is spiegelbeeldig aan de vordering van [partij A] in conventie. [partij B] vordert primair te bepalen dat het beslag moet worden gehandhaafd totdat het gerechtshof een definitieve beslissing heeft genomen over de verdeling van de huwelijksgemeenschap tussen partijen. Subsidiair vordert [partij B] te bepalen dat een vrijgave van de depotgelden door de Notaris niet een bedrag van € 13.000,00 te boven mag gaan. [partij B] vordert ten slotte een veroordeling van [partij A] in de beslagkosten en de proceskosten.
4.6.
[partij A] voert verweer in reconventie en concludeert tot afwijzing. Het verweer van [partij A] volgt uit haar betoog in conventie.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
Verval van beslag van rechtswege?
5.1.
Het meest verstrekkende standpunt van [partij A] is dat het door [partij B] gelegde beslag van rechtswege is komen te vervallen, als gevolg van de Beschikking. Impliciet betoogt [partij A] hiermee dat opheffing van het beslag hierdoor niet meer nodig is.
5.2.
[partij A] heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 770b lid 1 Rv. Dat artikel bepaalt dat, bij toewijzing van een verzoek tot opheffing van een gemeenschap respectievelijk tot echtscheiding, het beslag vervalt zodra de goederen aan de andere echtgenoot worden toegedeeld of krachtens de verdeling aan de beslaglegger worden geleverd. Het betoog van [partij A] houdt in dat met het wijzen van de Beschikking de € 44.579,69 aan haar is toegedeeld.
5.3.
De voorzieningenrechter verwerpt het standpunt van [partij A] . Het is op zichzelf juist dat het verzoek tot echtscheiding in de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - Beschikking is toegewezen, maar dit betekent niet dat ook sprake is geweest van een toedeling van € 44.579,69 aan [partij A] in de zin van artikel 770b Rv. Uit het woord ‘zodra’ in artikel 770b lid 1 Rv leidt de voorzieningenrechter af dat het standpunt van de wetgever is dat de toewijzing van het verzoek tot echtscheiding niet (noodzakelijkerwijs) samenvalt met de toedeling van een goed. De voorzieningenrechter is die mening ook toegedaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voor een toedeling in de zin van artikel 770b lid 1 Rv nog een op overdracht gerichte rechtshandeling nodig, waarmee de toedeling daadwerkelijk wordt geëffectueerd. [1] De Beschikking als zodanig heeft dus niet te gelden als een toedeling aan [partij A] van € 44.579,69, een en ander als bedoeld in artikel 770b lid 1 Rv.
5.4.
Het standpunt van [partij A] is bovendien niet te verenigen met de ratio van beslaglegging en het verval van rechtswege daarvan, die onder meer tot uitdrukking komt in – het ook op maritaal beslag van toepassing zijnde – artikel 704 lid 2 Rv Pro. Uit laatstgenoemde bepaling volgt dat een beslag van rechtswege vervalt als de eis in hoofdzaak wordt afgewezen, en deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. De achterliggende gedachte daarbij is dat handhaving van een beslag geen zin heeft als onherroepelijk is vastgesteld dat de beslaglegger geen recht heeft op de vordering tot verzekering waarvan hij het beslag heeft gelegd. Ook artikel 770b Rv heeft uitdrukkelijk deze ratio: als een gemeenschappelijk goed aan één van partijen is toegedeeld of geleverd, heeft de beslaglegger geen belang meer bij handhaving van het beslag als het aan hem is toegedeeld, en geen recht meer op het goed (en dus ook geen belang meer bij het beslag) als het aan de ander is toegedeeld. [2] Dit impliceert dat de toedeling of levering definitief moet zijn. In de Beschikking is de vordering van beslaglegger [partij B] weliswaar afgewezen, maar de Beschikking is – ten tijde van het wijzen van dit vonnis is kort geding – niet in kracht van gewijsde gegaan.
5.5.
De conclusie is dat het beslag tot op heden niet van rechtswege is vervallen. Gelet daarop moet de vordering tot opheffing van het beslag inhoudelijk worden beoordeeld.
Opheffing beslag
5.6.
In deze zaak wordt opheffing van een conservatoir beslag gevorderd, waarbij de vordering tot verzekering waarvan het beslag is gelegd, door de bodemrechter in de Beschikking is afgewezen.
5.7.
Artikel 705 lid 2 Rv Pro bepaalt dat opheffing van een beslag door de voorzieningenrechter mogelijk is, onder meer indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. De voorzieningenrechter moet hierbij een belangenafweging maken tussen het belang van de beslaglegger en dat van de beslagene, waarbij het feit dat de bodemrechter in eerste aanleg reeds uitspraak heeft gedaan wél moet worden meegewogen, maar niet per definitie doorslaggevend is. [3]
5.8.
[partij A] heeft – naast haar stelling dat zij het geld nodig heeft om haar leven weer te kunnen opbouwen – ter onderbouwing van haar belang bij opheffing van het beslag met name gewezen op de Beschikking. Volgens [partij A] volgt uit de Beschikking dat zij recht heeft op het bedrag van € 44.579,69, dat nu bij de Notaris staat. De voorzieningenrechter is dat niet volledig met [partij A] eens, omdat het recht op genoemd bedrag in de Beschikking niet expliciet aan de orde is geweest. Wel is het zo dat in de Beschikking het standpunt van [partij B] dat hij een vordering heeft op de gemeenschap ter grootte van € 26.699,00, door de rechtbank is verworpen. Volgens [partij B] zou die gepretendeerde vordering op de gemeenschap in de weg staan aan de verdeling van de netto-opbrengst van de Woning. Nu door de uitspraak van de bodemrechter de grondslag onder de vordering van [partij B] op de gemeenschap van € 26.699,00 is komen te ontvallen, geldt daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter als uitgangspunt wel dat [partij A] recht heeft op de helft van de netto-opbrengst van de Woning. Impliciet kan dit uit de Beschikking worden afgeleid.
5.9.
[partij B] heeft aangevoerd dat hij het niet eens is met de Beschikking, en dat hoger beroep zal worden ingesteld. Het is een feit dat de Beschikking op dit moment geen kracht van gewijsde heeft, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat dat in dit geval niet in de weg aan opheffing van het beslag. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat [partij B] in deze kortgedingprocedure wel heeft betoogd
dathij niet eens is met de inhoud van de Beschikking, maar niet
waaromdat zo is. Afgezien daarvan geldt dat van de voorzieningenrechter niet kan worden gevergd dat in dit vonnis in kort geding mede een oordeel over de kans van slagen wordt gegeven van het eventueel door [partij B] in te stellen hoger beroep. [4]
5.10.
[partij B] heeft gewezen op het restitutierisico dat hij loopt wanneer de Notaris zou overgaan tot uitkering van de helft van de netto-verkoopopbrengst van de Woning aan [partij A] . Dat restitutierisico is er, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt dit minder zwaar dan de inhoud van de Beschikking, waaruit impliciet volgt dat [partij A] recht heeft op de helft van de netto-verkoopopbrengst van de Woning. Bovendien geldt dat [partij B] niet heeft aangevoerd dat de Beschikking een kennelijke misslag of anderszins een kennelijke fout bevat. Aan de voorzieningenrechter is een kennelijke misslag of anderszins een kennelijke fout in de Beschikking ook niet gebleken.
5.11.
De conclusie is dat vordering onder punt (A) van het petitum van [partij A] wordt toegewezen. Het beslag op de depotgelden bij de Notaris wordt door de voorzieningenrechter opgeheven.
Bepalen recht op € 44.579,69
5.12.
Onder punt (B) van het petitum vordert [partij A] dat de voorzieningenrechter bepaalt dat [partij A] op grond van de Beschikking recht heeft op een bedrag van € 44.579,69 uit de bij de Notaris in depot gehouden gelden.
5.13.
Deze vordering wordt afgewezen. [partij A] vraagt hier materieel gezien een verklaring voor recht, iets dat in een kortgedingprocedure niet mogelijk is.
5.14.
Afgezien daarvan geldt dat de conclusie die [partij A] onder punt (B) van het petitum trekt niet uit de Beschikking volgt. Het bedrag van € 44.579,69 wordt in de Beschikking niet genoemd. Bovendien is het de voorzieningenrechter niet duidelijk of het bedrag van € 44.579,69 daadwerkelijk de helft is van de netto-verkoopopbrengst van de Woning. In het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir maritaal beslag (productie 2 van [partij A] ) heeft de toenmalige advocaat van [partij B] onder punt 6 aangevoerd dat de notariskosten nog niet in dit bedrag zijn verwerkt. De voorzieningenrechter weet niet of dit juist is, maar [partij A] heeft de juistheid ervan in deze kortgedingprocedure in ieder geval niet weersproken.
Bevel Notaris en in de plaats treden vonnis
5.15.
Onder punt (C) van het petitum vordert [partij A] om de Notaris te bevelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis over te gaan tot uitbetaling van het bedrag van € 44.579,69 aan [partij A] . Deze vordering wordt afgewezen. De Notaris is geen partij in deze kortgedingprocedure, en kan alleen daarom al niet door de voorzieningenrechter worden bevolen om iets te doen. Als de voorzieningenrechter in deze kortgedingsprocedure een bevel uitvaardigt, kan dat alleen gericht zijn tegen [partij B] , niet tegen de Notaris.
5.16.
De voorzieningenrechter kan zich overigens voorstellen dat er voor de Notaris inmiddels wel aanleiding is om de helft van de netto-verkoopopbrengst van de Woning aan [partij A] uit te keren. Het beslag wordt opgeheven en voor het overige is de voorzieningenrechter niet gebleken dat er beletselen zijn om tot uitkering van de helft van de netto verkoopopbrengst over te gaan.
5.17.
[partij A] vordert onder (D) van het petitum dat de voorzieningenrechter bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van iedere vereiste toestemming, medewerking of wilsverklaring van [partij B] , zodat de Notaris volledig zelfstandig uitvoering kan geven aan het vonnis.
5.18.
Omdat vordering (C) wordt afgewezen, geldt hetzelfde voor vordering (D). Vordering (D) is gekoppeld aan vordering (C), in die zin dat vordering (D) uitgaat van de premisse dat de Notaris op basis van dit vonnis in kort geding wordt veroordeeld om een uitvoeringshandeling te verrichten. Dat is echter niet het geval.
5.19.
Overigens is onjuist de gedachte van [partij A] dat de Notaris niet zou kunnen overgaan tot uitkering van de helft van de netto-verkoopopbrengst van de Woning aan [partij A] zonder toestemming van [partij B] . Dit standpunt is door [partij A] onvoldoende toegelicht en komt de voorzieningenrechter in zijn algemeenheid onjuist voor. Indien de Notaris op basis van zijn eigen afwegingen en naar aanleiding van dit vonnis, waarin het beslag wordt opgeheven en is overwogen dat [partij A] recht heeft op de helft van de netto-verkoopopbrengst, van oordeel is dat er aanleiding is om de helft van de netto-verkoopopbrengst van de Woning aan [partij A] uit te keren, dan kan hij daartoe overgaan.
Onthouden belemmering uitvoering vonnis en verbod nieuwe beslagen
5.20.
[partij A] vordert onder (E) van het petitum een veroordeling van [partij B] om zich te onthouden van iedere handeling die de uitvoering van dit vonnis in kort geding belemmert, waaronder begrepen het leggen van een nieuw beslag op dezelfde gronden.
5.21.
Het gaat de voorzieningenrechter principieel te ver om een beslagverbod als gevorderd op te leggen. Indien een beslaglegger meent dat er gronden zijn om beslag te leggen, moet dat mogelijk zijn. Dat geldt voor eenieder en dus ook voor [partij B] .
5.22.
Wel is het vanzelfsprekend zo dat als [partij B] in de toekomst beslag zou willen leggen ten laste van [partij A] met betrekking tot het nu lopende geschil tussen partijen, hij daartoe verlof nodig heeft van een rechter. Op grond van artikel 21 Rv Pro is [partij B] in dat geval verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dat betekent onder meer dat [partij B] melding moet maken van alle procedures tussen partijen ten aanzien van het geschil, waaronder dit kort geding en het vonnis waarin dit heeft geresulteerd. [5] De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [partij B] in een voorkomend geval deze verplichting niet zal schenden.
5.23.
Voor het overige geldt dat vordering (E) te onbepaald is om te kunnen worden toegewezen. De vordering wordt daarom afgewezen.
Veroordeling medewerking uitvoering vonnis
5.24.
[partij A] vordert onder (F) van het petitum een veroordeling van [partij B] om alle medewerking te verlenen aan de uitvoering van dit vonnis, op straffe van een dwangsom.
5.25.
Ook deze vordering wijst de voorzieningenrechter af. De vordering is door [partij A] onvoldoende toegelicht. [partij B] wordt in dit vonnis nergens toe veroordeeld, dus het is onduidelijk waaraan hij dan op het punt van de uitvoering van het vonnis medewerking zou moeten verlenen.
5.26.
Voor zover [partij A] het standpunt inneemt dat er van de zijde van [partij B] nog handelingen nodig zijn om het beslag opgeheven te krijgen, is dat standpunt onjuist. Het beslag is opgeheven door toewijzing van het onder punt A van het petitum in conventie gevorderde en de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring van die beslissing. [6]
Proceskosten
5.27.
[partij A] vordert een veroordeling van [partij B] in de daadwerkelijke proceskosten, tot een bedrag van € 5.749,27 (aan advocaatkosten). [partij A] betoogt dat van de zijde van [partij B] sprake is van misbruik van procesrecht en dus onrechtmatig handelen, doordat [partij B] willens en wetens een juridisch onhoudbare positie inneemt en deze procedure voert met geen ander doel dan [partij A] schade toe te brengen en op kosten te jagen.
5.28.
Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten) kan pas sprake zijn, als het instellen van de vordering (of het voeren van verweer) door [partij B] , gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van [partij A] achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als [partij B] zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van (of verweer voeren in) een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro. [7]
5.29.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden gezegd dat [partij B] in deze kortgedingprocedure standpunten inneemt die evident ongegrond zijn, zodanig dat [partij B] die standpunten überhaupt niet in had mogen nemen zonder daarmee een norm ten opzichte van [partij A] te schenden. Dit blijkt alleen al uit het feit dat een groot deel van de vorderingen van [partij A] wordt afgewezen. [partij B] zal niet worden veroordeeld in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten.
5.30.
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit is een vaste lijn in de jurisprudentie van de rechtbank Overijssel.
in reconventie
5.31.
De vorderingen onder I, II en III van [partij B] in reconventie worden afgewezen. Dit volgt uit de beoordeling in conventie, waarin is bepaald dat het beslag wordt opgeheven. Met de vorderingen sub II en III bepleit [partij B] dat het beslag, al dan niet deels, gehandhaafd moet blijven, maar dat betoog is onjuist.
5.32.
Onder IV van het petitum in reconventie vordert [partij B] een veroordeling van [partij A] in de beslagkosten. Ook die vordering wordt afgewezen. Beslagkosten (als bedoeld in artikel 706 Rv Pro) komen alleen voor vergoeding in aanmerking als de vordering waarvoor het beslag is gelegd, toewijsbaar is. [8] Dat is hier niet het geval. In de Beschikking is de vordering van [partij B] waarvoor het beslag is gelegd afgewezen. Dat [partij B] het op dit punt niet met de inhoud van de Beschikking eens is, doet hier niet aan af.
5.33.
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit is een vaste lijn in de jurisprudentie van de rechtbank Overijssel.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
heft op het op 31 oktober 2025 door [partij B] ten laste van [partij A] onder de Notaris gelegde beslag op de verkoopopbrengst van de Woning,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de beslissing opgenomen onder 6.1,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen af;
6.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg-van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

Voetnoten

1.Vgl. Asser/Perrick 3-V 2023/167.
2.Tekst & Commentaar, aantekening 2a en 2b bij artikel 770b Rv.
4.Zie noot 3
5.Zie ook de Beslagsyllabus, versie januari 2025, bladzijde 7.
7.ECLI:NL:HR:2017:2366, rov. 3.5.2.
8.ECLI:NL:HR:2021:273, rov. 3.8.2.