Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3626

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
ak_25_2134
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 27 Alcoholwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen gedeeltelijke afwijzing handhavingsverzoek tegen eetcafé

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van een achterbuurvrouw tegen het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland inzake een handhavingsverzoek tegen een eetcafé. De eiseres stelde dat het eetcafé handelde in strijd met de Drank- en Horecawet en het bestemmingsplan, met name vanwege een te groot terras en het gebruik van een alcoholvergunning.

Het college wees het verzoek deels af en stelde een dwangsom vast voor het te grote terras. De eiseres betwistte onder meer dat het college een nieuw primair besluit mocht nemen tijdens bezwaar, dat de dwangsom te laag was en dat het gebruik van de alcoholvergunning strijdig was met het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelde dat het college op grond van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd was een nieuw primair besluit te nemen, dat de dwangsom van €3.000,- een voldoende prikkel vormde en dat het gebruik van de alcoholvergunning niet in strijd was met het bestemmingsplan. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het college is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2134

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats]

hierna: [eiseres]
(gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp),
en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland,

hierna: het college
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [eetcafé] B.V. uit [woonplaats] ( [eetcafé] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het college van het verzoek om handhaving van [eiseres] . [eiseres] is de achterbuurvrouw van eetcafé [eetcafé] en meent dat [eetcafé] handelt in strijd met de Drank- en Horecawet en de bestemming. Het college heeft het verzoek deels toegewezen, omdat het meent dat [eetcafé] een te groot terras had, en voor het overige afgewezen omdat [eetcafé] voor het overige toereikende vergunningen heeft. [eiseres] is het niet eens met deze gedeeltelijke afwijzing. Zij voert daartoe aan dat het college ten onrechte een nieuw primair besluit heeft genomen, dat de opgelegde dwangsom te laag is en dat het college het handhavingsverzoek niet heeft kunnen afwijzen omdat er geen strijd zou zijn met de op 31 maart 2020 verleende omgevingsvergunning.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college hangende bezwaar een nieuw primair besluit heeft mogen nemen, dat er geen strijd is met het bestemmingsplan ten aanzien van de verleende omgevingsvergunning van 31 maart 2020 en dat de hoogte van de opgelegde dwangsom voldoende prikkel is om de overtreding te beëindigen. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarmee ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. [eiseres] woont aan de [adres 1] in [woonplaats] . Haar perceel grenst aan de achterzijde aan dat van [eetcafé] , gevestigd aan de [adres 2] in [woonplaats] .
4. [eiseres] heeft op 22 april 2024 een verzoek om handhavend optreden bij het college ingediend. Het handhavingsverzoek heeft betrekking op de activiteiten van [eetcafé] . Kort gezegd handelt [eetcafé] volgens [eiseres] in strijd met het bestemmingsplan door gebruik te maken van een Drank- en Horecavergunning cq. Alcoholvergunning en is er een te groot terras in gebruik.
5. Op 20 juni 2024 heeft [eiseres] het college in gebreke gesteld.
6. Het college heeft bij besluit van 4 juli 2024 het verzoek om handhavend optreden afgewezen.
7. [eiseres] heeft bij brief van 24 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar handhavingsverzoek.
8. Bij brief van 10 oktober 2024 heeft het college [eiseres] laten weten dat het besluit van 4 juli 2024 niet in stand kan blijven en dat het college daarom een nieuw besluit zal nemen, waarbij het besluit van 4 juli 2024 wordt ingetrokken.
9. Op 23 december 2024 heeft het college een nieuw besluit genomen op het handhavingsverzoek van [eiseres] . In dit besluit wijst het college het verzoek om handhavend optreden op drie punten af en wijst het college het handhavingsverzoek toe op het punt van de terrasschermen die [eetcafé] gebruikt. Met het besluit van 23 december 2024 heeft het college het besluit van 4 juli 2024 ingetrokken.
10. Gelijk met het besluit op het handhavingsverzoek heeft het college op 23 december 2024 aan [eetcafé] een voornemen gestuurd tot handhavend optreden (last onder dwangsom) voor het in strijd met het omgevingsplan hebben van een terras op gemeentegrond met een verkeersbestemming. [eetcafé] heeft op 15 januari 2025 op het voornemen gereageerd.
11. [eiseres] heeft bij brief van 30 januari 2025 bezwaar gemaakt tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar handhavingsverzoek van 23 december 2024.
12. Op 24 maart 2025 heeft het college aan [eetcafé] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat [eetcafé] een dwangsom ter hoogte van maximaal € 3.000,- verbeurt, indien niet voor 1 mei 2025 het strijdige gebruik wordt beëindigd.
13. Bij besluit van 16 juni 2025 op het bezwaar van [eiseres] (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard en het besluit van 23 december 2024 in stand gelaten.
14. [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
15. De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] , vergezeld door haar man, de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigden van het college. [eetcafé] heeft zich afgemeld voor deelname aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

16. [eiseres] voert de volgende beroepsgronden aan. Het college heeft ten onrechte niet beslist op de ingebrekestelling van 20 juni 2024 en het verzoek tot vaststellen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Verder stelt het college ten onrechte dat het besluit van 23 december 2024 een nieuw primair besluit is. Het besluit is immers tot stand gekomen naar aanleiding van de bezwaren van [eiseres] , en moet dus worden beschouwd als een beslissing op bezwaar. Ook is de opgelegde dwangsom van € 3.000,- een te lage prikkel om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Tot slot voert [eiseres] aan dat er ten onrechte door het college wordt gesteld dat op 31 maart 2020 een omgevingsvergunning is verleend om de gronden met de bestemming detailhandel te gebruiken voor horeca categorie-2. De verleende vergunning ziet enkel op een ijssalon, een recreatieruimte kids en een private diningroom. Het handhavingsverzoek had gelet hierop niet afgewezen mogen worden.
Het besluit van 4 juli 2024 en 23 december 2024
17. De rechtbank volgt het standpunt van [eiseres] niet dat het besluit van 23 december 2024 moet worden gezien als een beslissing op bezwaar en niet als een nieuw primair besluit. Artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht biedt de mogelijkheid om, ook hangende bezwaar, het primaire besluit te wijzigen of in te trekken. Deze mogelijkheid staat ook open wanneer de wijziging of intrekking van het primaire besluit plaatsvindt naar aanleiding van de ingebrachte bezwaren. [1] Het college heeft dus op 23 december 2024 een nieuw primair besluit mogen nemen en het eerder genomen primaire besluit van 4 juli 2024 mogen intrekken.
18. Ten aanzien van de bestuurlijke dwangsom overweegt de rechtbank als volgt. Op 20 juni 2024 heeft [eiseres] het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek om handhavend optreden. Het college heeft met het besluit van 4 juli 2024 alsnog beslist op het verzoek en daarmee tijdig aan de ingebrekestelling voldaan. Het college was daarom geen bestuurlijke dwangsom wegens het niet tijdig beslissen verschuldigd aan [eiseres] . Dat het besluit van 4 juli 2024 met het vervangende besluit van 23 december 2024 is ingetrokken doet daar niet aan af.
19. De beroepsgrond slaagt niet.
Strijd met het bestemmingsplan?
20. De rechtbank overweegt dat, voor zover [eiseres] betoogt dat het bestemmingsplan een verlening van de Alcoholvergunning in de weg stond en het gebruikmaken van een dergelijke Alcoholvergunning strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan (of het tijdelijke deel van het omgevingsplan), dit betoog niet kan slagen. Zoals de rechtbank in een recente uitspraak van 29 april 2026 [2] heeft overwogen, is strijd met het bestemmingsplan of omgevingsplan niet als weigeringsgrond opgenomen in artikel 27 van Pro de Alcoholwet. Een (volgens [eiseres] ) vermeende strijd met het bestemmingsplan of omgevingsplan is daarom geen grond om te handhaven op het gebruik van de Aloholvergunning.
21. Voor zover [eiseres] betoogt dat het gebruik door [eetcafé] van de gronden met bestemming ‘detailhandel’ als horeca categorie-2 in strijd is met de op 31 maart 2020 verleende omgevingsvergunning, slaagt dit betoog evenmin, nu de Afdeling reeds bij uitspraak van 20 maart 2024 [3] op het hoger beroep van [eiseres] gericht tegen deze omgevingsvergunning heeft geoordeeld dat het college de aanvraag terecht mede heeft aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het strijdig gebruik van de gronden met bestemming detailhandel als horeca categorie-2. Met de uitspraak van 20 maart 2024 heeft de Afdeling het hoger beroep van [eiseres] tegen deze omgevingsvergunning ongegrond verklaard. De omgevingsvergunning staat daarom in rechte vast.
22. De beroepsgrond slaagt niet.
De hoogte van de dwangsom
23. De rechtbank oordeelt dat van de hoogte van de dwangsom (€ 3.000,-) een voldoende prikkel is uitgegaan om de overtreding te beëindigen, getuige het feit dat [eetcafé] na het opleggen van de last onder dwangsom van 24 maart 2025 de overtreding daadwerkelijk heeft beëindigd. Het standpunt van [eiseres] dat een dwangsom van
€ 3.000,- een te kleine prikkel is om de overtreding te beëindigen kan daarom niet gevolgd worden. Indien [eetcafé] naar het oordeel van [eiseres] nieuwe overtredingen begaat, bijvoorbeeld omdat opnieuw terras(schermen) worden geplaatst op gronden met een verkeersbestemming, staat het haar vrij om een nieuw handhavingsverzoek in te dienen. Ter zitting heeft het college nog aangegeven dat [eetcafé] een aanvraag heeft ingediend voor het permanent plaatsen van terrasschermen en dat de schermen dan binnen de grenzen van haar perceel zijn ingetekend.
24. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 oktober 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA8132 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4086.