ECLI:NL:RBOVE:2026:3983

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
AK_25_691
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 AWRArt. 225 GemeentewetArt. 234 GemeentewetArtikel 1b Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens niet-naleving betaalduur

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Zwolle omdat hij zijn voertuig langer dan een uur parkeerde zonder opnieuw parkeerbelasting te voldoen. Hij stelde dat er sprake was van een maximale parkeerduur en dat de kenbaarheid van de verplichting tot hernieuwde aangifte onvoldoende was, mede gelet op tegenstrijdige informatie op borden, betaalautomaat en parkeerapp.

De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. De betaalperiode is gemaximeerd, maar niet de parkeerduur; na afloop van de betaalperiode moet opnieuw betaald worden om het parkeren voort te zetten. De informatie op de parkeerautomaat en borden was helder en voldoende kenbaar, en belanghebbende had de mogelijkheid om opnieuw aangifte te doen, maar heeft dit nagelaten.

De rechtbank verwierp het betoog dat het belastbare feit zich niet had voorgedaan en dat een Mulderboete passend zou zijn. De naheffing is gegrond omdat belanghebbende na afloop van de betaalperiode niet opnieuw heeft betaald terwijl het voertuig in de betaald parkeerzone bleef staan. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/691

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende

gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zwolle.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 20 januari 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Belanghebbende heeft als aanvullend stuk ingediend een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 23 april 2026 [1] .
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 ter zitting via teams behandeld. Als gemachtigde van belanghebbende is verschenen mr. J. Piet. De heffingsambtenaar heeft zich vooraf afgemeld wegens verhindering.

Feiten

2. Op 17 november 2024 om 15.49 uur stond de auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Potgietersingel te Zwolle. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto op dat tijdstip niet langer een geldig parkeerrecht bestond. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag van € 80,- opgelegd, bestaande uit € 3,30 aan tariefkosten en € 76,70 aan kosten voor de naheffingsaanslag.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Hieronder volgt onder 6 - 10, zakelijk weergegeven, het betoog van belanghebbende.
Is sprake van een gemaximeerde parkeerduur?
6. De naheffingsaanslag is onterecht opgelegd, omdat belanghebbende zijn voertuig langer dan een uur op een parkeerplaats heeft laten staan waar onder aangifte van parkeerbelasting maar ten hoogste één uur mag worden geparkeerd. Op grond van artikel 20 AWR Pro [2] en onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2022 [3] en de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 3 juli 2024 [4] respectievelijk een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 23 april 2026 is belanghebbende niet gehouden om ook in de periode na afloop van het eerste uur (opnieuw) parkeerbelasting op aangifte te voldoen (de rechtbank begrijpt: omdat na de
aanvangvan het parkeren niet meer dan 1 uur ten behoeve van parkeren vooruit kan worden betaald en na het verstrijken van dat uur geen nieuwe parkeerduur aanvangt).
7. Praktische toepassing van de Verordening [5] leidt feitelijk tot een maximale parkeerduur. Het is een verbod op of minimaal een onmogelijkheid om de aangifte aansluitend te verlengen. Er is altijd een tijdinterval tussen het verstrijken van de eerste aanmelding en een eventuele nieuwe aanmelding, waardoor strijd met het wettelijk voorschrift onvermijdelijk wordt. Een nieuwe belastingschuld is niet ontstaan, omdat het parkeren niet opnieuw aanving. In het verleden kon aangifte worden gedaan bij een betaalautomaat en kreeg de aangever een parkeerkaartje. De eerste aangifte kon aangevuld worden met een tweede. De controleur kon beide tijden bij elkaar optellen zodat de aangifteduur doorliep. In het geval van belanghebbende is het onmogelijk gemaakt om voor ommekomst van de eerste aangifte de betaalduur aan te vullen en de parkeerduur langer te laten voortduren.
Is voldaan aan het kenbaarheidsvereiste?
8. Er geldt een maximale parkeerduur blijkens de borden, de betaalautomaat en de parkeerapp in zone 20207. Omdat onvoldoende duidelijk is vermeld dat de parkeerapp na een uur eindigt en dat een nieuwe aangifte parkeerbelasting vereist is, is niet voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. Op de borden ter plaatse wordt niet vermeld dat sprake is van een gemaximeerde betaalduur of dat opnieuw aangifte gedaan moet worden. Uit de app blijkt niet dat de parkeeractie automatisch stopt en dat belanghebbende opnieuw aangifte moet doen. De Verordening is hierover vaag. De heffingsambtenaar dient duidelijk te maken wat het fiscale parkeerregime inhoudt. Eventuele nadelen van onduidelijke belastingregels komen voor rekening van de heffingsambtenaar.
9. De bebording/parkeerapp en de betaalautomaat bevatten tegenstrijdige informatie met de Verordening, waarvoor de heffingsambtenaar gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2020 [6] verantwoordelijk is. Omdat sprake is van tegenstrijdige informatie in de parkeerapp en bebording enerzijds en de Verordening anderzijds, is niet voldaan aan het kenbaarheidsvereiste respectievelijk kon belanghebbende er niet aan voldoen.
Is geparkeerd in strijd met een wettelijk voorschrift?
10. Het belastbare feit heeft zich niet voorgedaan. Belanghebbende stond na het verstrijken van de betaalde parkeerduur geparkeerd in strijd met een wettelijk voorschrift. De heffingsambtenaar had een Mulderboete kunnen opleggen, maar geen naheffingsaanslag.
11. De rechtbank overweegt als volgt.
12. Het betoog van belanghebbende strandt. Niet in geschil is dat belanghebbende na het verstrijken van de (gelimiteerde) betaalperiode voor het parkeren van zijn voertuig op 17 november 2024 niet aansluitend opnieuw aangifte heeft gedaan en niet opnieuw parkeerbelasting heeft voldaan gedurende de dan (mogelijk opnieuw gelimiteerd) toegestane betaalperiode. Klaarblijkelijk, en de rechtbank houdt het daarvoor, bleef belanghebbendes voertuig in de betaald parkeerzone geparkeerd staan waarvoor belanghebbende parkeerbelasting voldeed voor de periode 13.12 uur tot 14.12 uur. Daardoor wist belanghebbende dat hij na het verstrijken van de parkeerduur opnieuw parkeerbelasting moest voldoen krachtens informatie op de betreffende parkeerautomaat. Wat belanghebbende nog over beweerdelijke onbekendheid stelt, stelt hij bovendien over Zone 20207, terwijl het hier gaat om Zone 20214. Opzet, schuld en verwijtbaarheid spelen evenwel geen rol bij naheffing parkeerbelasting. De naheffing is daarom gelegitimeerd, nu een (medische) noodsituatie voor niet-betalen aan de zijde van belanghebbende gesteld noch gebleken is.
13. De gemeente Zwolle heeft uit beleidsmatig oogpunt om auto’s te weren uit de binnenstad respectievelijk om het rouleren van geparkeerd staande auto’s kennelijk maximaal te bevorderen een parkeerbetaalregime ingevoerd waarbij, afhankelijk van (doordeweekse) dagen en uren, wel of geen respectievelijk steeds wisselende parkeeruurtarieven gelden, veelal - maar niet steeds en onafgebroken - gekoppeld aan een maximale parkeerbetaalperiode van 1 tot 2 uur. [7]
14. Die informatie staat kort en bondig (en volledig) op de parkeerautomaat (Zone 20214). De informatie is helder en begrijpelijk. De informatie dat de betaaltijd veelal 1 uur is en op welke dagen dit geldt, is glashelder - ook al valt donderdag (Do) grammaticaal gezien onder Ma-Za, echter zonder dat dit verwarring schept omdat de regeling voor donderdag (Do) apart vermeld wordt.
15. Na het verstrijken van een gemaximeerde parkeerbetaaltermijn (van 1 of 2 uur) dient opnieuw betaald te worden, omdat niet de parkeerduur als zodanig is gemaximeerd doch (veelal) slechts de betaalperiode. Na een hernieuwde betaling vangt een nieuwe parkeerduur aan, ook als het voertuig op de betreffende parkeerplaats niet in beweging is geweest.
16. Dat het parkeersysteem gemaximeerde betaaltijdvakken kent, doet niet af aan de geldigheid van het parkeersysteem, de kenbaarheidseis en onderzoeksplicht. Anders dan belanghebbende stelt, was belanghebbende (dus) niet genoopt na 1 uur het parkeren te beëindigen, maar eventueel en hooguit slechts gehouden tot een vervolgaangifte, waarvan belanghebbende heeft afgezien. Belanghebbende heeft zijn voertuig niet verwijderd of willen verwijderen doch langer geparkeerd laten staan zonder opnieuw (via de app of anderszins) aangifte te (willen) doen voor een hernieuwde
aanvangvan (qua betaaltijdvak gelimiteerd) parkeren (wat gewoon mogelijk is/was).
17. Al hetgeen belanghebbende overigens aanvoert, treft evenmin doel en daarmee ligt het beroep voor afwijzing gereed. In de kern berust het betoog van belanghebbende op een naar het oordeel van de rechtbank grammaticale, legistische uitleg van de artikelen 225 en 234 Gemeentewet over het begrip aanvang van parkeren, terwijl de strekking en de bedoeling van die bepalingen niet onverenigbaar is met de invulling daarvan door de gemeentelijke overheid.
18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende opgelegd.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en evenmin een vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
P.P. van Essen - van 't Ende, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kenmerk: 25/780.
2.Algemene wet inzake rijksbelastingen.
5.Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Zwolle 2024.
6.ECLI:NL:HR:2020:1014, rechtsoverweging 2.4.3.
7.Zie artikel 1b, eerste lid, van het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2024.