ECLI:NL:RBOVE:2026:4257

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ak_25_1881
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 234 GemeentewetArtikel 2 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingenArtikel 3 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingenArtikel 9 Verordening parkeerbelasting Deventer 2025ECLI:NL:HR:2026:24
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting en kostenposten gemeente Deventer

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Deventer wegens het niet betalen van parkeerbelasting op 27 januari 2025. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de aanslag. Belanghebbende voerde aan dat de motivering van de uitspraak op bezwaar onvoldoende was en dat de kostenposten onjuist en niet inzichtelijk waren toegerekend.

De rechtbank oordeelde dat de motivering van de uitspraak op bezwaar voldoende was, mede omdat de heffingsambtenaar nadere toelichting had gegeven op de kostenposten nadat belanghebbende deze betwistte. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad dat kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting mogen worden doorberekend.

De rechtbank beoordeelde per kostenpost (onderhoud Bluebrick, kapitaallasten handhavingsapparatuur, kosten toezicht, overhead, overwerk en belastingen) of deze meer dan zijdelings verband hielden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. De heffingsambtenaar had aannemelijk gemaakt dat deze kosten gerechtvaardigd waren en binnen de wettelijke normen vielen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting en de kostenposten wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1881

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende

gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema,
en
de heffingsambtenaar van de Regionale Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte (DOWR),
gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2].

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 11 juni 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.
1.4.
Belanghebbende heeft op 29 mei 2026 gereageerd op de verweerschriften en de beroepsgronden aangevuld.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en de gemachtigden van de heffingsambtenaar.

Feiten

2. Op 27 januari 2025 om 17:11 uur stond de auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Verzetslaan te Deventer. Op deze plaats mocht op dat moment alleen tegen betaling van parkeerbelasting worden geparkeerd. Tijdens een controle is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 81,65, bestaande uit € 2,85 wegens verschuldigde parkeerbelasting en € 78,80 wegens kosten van de naheffing.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de naheffingsaanslag
parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd. In geschil is enkel of de uitspraak op bezwaar gebrekkig is gemotiveerd en of de gemeente Deventer de kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting voor het jaar 2025 voldoende inzichtelijk heeft gemaakt en niet te hoog heeft vastgesteld. De rechtbank zal dit beoordelen aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De motivering van de uitspraak op bezwaar

5. Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar gebrekkig is gemotiveerd. In bezwaar is reeds om een inzichtelijke en deugdelijke onderbouwing van de gehanteerde kostendoorberekening verzocht, maar de heffingsambtenaar heeft dit verzoek niet gehonoreerd. De enkele verwijzing naar de Verordening 2025 is hiertoe onvoldoende, omdat hiermee niet inzichtelijk wordt gemaakt hoe de opgevoerde kosten zich verhouden tot het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Niet is daarmee duidelijk hoe de raming is opgebouwd, welke bedragen aan de onderliggende kostenposten zijn toegerekend en waarom de kosten zouden samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. Daarnaast dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd, omdat de heffingsambtenaar eerst in beroep enig inzicht heeft gegeven in de wijze waarop de in rekening gebrachte kosten zijn opgebouwd.
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat bij de beoordeling of het in een parkeerbelastingverordening opgenomen bedrag aan in rekening te brengen kosten beneden de verhaalbarekostenlimiet blijft, zoveel mogelijk dient te worden aangesloten bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de opbrengstlimieten (zoals in arrest van de Hoge Raad 23 januari 2026 [1] is geoordeeld). Die aansluiting geldt ook voor de in dat verband gewezen rechtspraak over de stelplicht en de bewijslast en over de rechtsgevolgen die moeten worden verbonden aan een overschrijding van de opbrengstlimiet.
6.1.
Voorts is van belang dat op het moment dat belanghebbende overschrijding van de verhaalbare-kostenlimiet aan de orde stelt en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar kan worden verwacht als belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van één of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat. [2]
6.2.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn betoog dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar geen inzichtelijke en deugdelijke onderbouwing heeft gegeven van de kostendoorberekening. De rechtbank betrekt daarbij dat uit de uitspraak op bezwaar blijkt dat de heffingsambtenaar erop wijst dat het kostenoverzicht van de naheffingsaanslag parkeren in de bijlage behorende bij de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen gemeente Deventer 2025 (hierna: de Verordening) zijn opgenomen. Tevens heeft de heffingsambtenaar de tekst uit de betreffende bijlage in de uitspraak op bezwaar opgesomd. De rechtbank ziet niet in dat op dat moment op voorhand reeds een nadere toelichting van verweerder had moeten worden verwacht. Vervolgens heeft belanghebbende een aantal in het overzicht genoemde kostenposten betwist en heeft de heffingsambtenaar een nadere toelichting gegeven. Dit laatste komt naar het oordeel van de rechtbank overeen met wat hiervoor onder rechtsoverweging 6.1. is weergegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
6.3.
Voor zover de heffingsambtenaar met zijn verwijzing op zitting naar voormeld arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026 en de opsomming van verschillende kostenposten heeft bedoeld het overzicht van de kostenposten aan te vullen met andere kostenposten dan in de tarieventabel bij de Verordening zijn opgenomen, volgt de rechtbank hem hierin niet. Zoals belanghebbendes gemachtigde heeft gesteld volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2021 [3] dat zo een handelswijze niet is toegestaan. De verwijzing van de heffingsambtenaar naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 mei 2026 [4] doet hieraan niet af.

De kosten van de naheffingsaanslag

7. Belanghebbende betwist de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag die de gemeente Deventer heeft doorberekend.
Wet- en regelgeving
8. Ingevolge de Gemeentewet worden kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening gebracht en worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. [5]
9. De gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag kunnen, ingevolge het Bgpb [6] , ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:
a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen. [7]
De raad stelt, op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren. [8]
Het bedrag bedraagt met ingang van 1 januari 2025 ten hoogste € 78,80. [9] De gemeente Deventer heeft dit bedrag in de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2025 (de Verordening) overgenomen. [10]
10. De gemeente Deventer heeft de totale kosten van € 948.080,- voor 2025 als volgt begroot:
Kapitaallasten handhavingapparatuur € 12.500,-
Onderhoud Bluebrick € 12.500,-
Kosten toezicht (exclusief overhead/overwerk) € 663.159,-
Algemene overhead € 165.790,-
Overhead € 55.263,-
Belastingen € 51.368,-
Het aantal naheffing heeft de gemeente begroot op 11.000. Gemiddeld komt de gemeente Deventer uit op een bedrag van € 78,80.
In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat sprake is van een verschrijving in de onderbouwing van de kostenposten. ‘Algemene overhead’ moet ‘Overhead’ zijn en ‘Overhead’ moet ‘Overwerk’ zijn. Dit laat de aard en omvang van de kosten onverlet. Daarnaast is per abuis éénmaal een bedrag van € 12.500,- in de totale berekening meegenomen, terwijl dat tweemaal had gemoeten (voor kapitaallasten handhavingsapparatuur & Onderhoud Bluebrick). Dat maakt dat de totale kosten op
€ 960.580,- uitkomen en volgt daaruit dat met een aantal naheffingsaanslagen van 11.000 gemiddeld op € 87,33 per naheffing moet worden gerekend. Het vastgestelde tarief blijft het maximale tarief van € 78,80.
De vaststelling van de kostenposten
11. Belanghebbende betwist de juistheid van de kosten die door de heffingsambtenaar in rekening zijn gebracht voor het opleggen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Belanghebbende voert aan dat niet is gemotiveerd hoe de afzonderlijke posten (zoals algemene overhead, personeelskosten en onderhoud Bluebrick) een rechtstreeks verband houden met het feitelijke uitreiken van een naheffingsaanslag. Deze kosten zien namelijk op de algemene bedrijfsvoering van de gemeente.
11.1.
In de aanvullende beroepsgronden van 29 mei 2026 betwist belanghebbende aanvullend de volgende kostenposten: kapitaallasten handhavingsapparatuur, kosten toezicht ex. Overhead/overwerk, overhead, overwerk en belastingen.
12. Vooraf wijst de rechtbank in aanvulling op de stelplicht en bewijslast hiervoor (in rechtsoverweging 6. en 6.1.) genoemd, op het volgende. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze heffingsambtenaar naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. [11]
13. Ook is van belang dat de Hoge Raad in voormeld arrest van 23 januari 2026 heeft geoordeeld dat onder kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen mede moeten worden verstaan, kosten die samenhangen met het opleggen van naheffingsaanslagen wegens het niet-betalen van verschuldigde parkeerbelastingen. Zonder naheffingsaanslag is het immers voor de gemeente niet mogelijk om niet-betaalde parkeerbelastingen te innen. Het woord samenhangen is gebruikt om buiten twijfel te stellen dat de kosten niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen hoeven te zijn gemaakt. Vereist is slechts dat de kosten meer dan zijdelings daarmee samenhangen. Van samenhang in die zin is slechts dan geen sprake indien de desbetreffende kosten geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen. Het staat de gemeente vrij om kosten die meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, geheel of gedeeltelijk daaraan toe te rekenen. Bij deze kosten is het voor de mogelijkheden tot doorberekening dus niet van belang in welke mate ze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Ook kosten ter zake van de invordering van naheffingsaanslagen behoren tot de kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen en mogen worden doorberekend.
14. De rechtbank zal de betwiste onderdelen van de kostenposten hierna per onderwerp beoordelen.
Onderhoud Bluebrick
15. Belanghebbende voert aan dat de heffingsambtenaar voor de kostenpost onderhoud Bluebrick niet inzichtelijk heeft gemaakt of en in welke mate dit systeem daadwerkelijk noodzakelijk is voor de feitelijke uitreiking van de naheffingsaanslag. Het betreft immers een kostenpost voor de instandhouding van een softwaresysteem (database) waarin parkeerrechten worden geregistreerd vanwege aangifte en voor afgifte van een vergunning. Dit dient daarom primair het bijhouden van de administratie van de heffingsambtenaar, namelijk vastgesteld kan worden voor welke voertuigen op welk moment parkeerbelasting op aangifte is voldaan. Daarnaast is het systeem voor de controle (met een scanauto) op de naleving van de belastingplicht. Voor dit systeem is sprake van het bijhouden en raadplegen van de database. Het raadplegen hangt wel rechtstreeks samen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, maar het bijhouden niet. Dit laatste ziet op de wel betaalde parkeerbelasting en dient daarmee de reguliere heffing. Het gaat er daarbij niet om dat de database noodzakelijk is, maar of de kosten ervan meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. De totale opbrengsten begroot de heffingsambtenaar op € 6.193.924,- bij 11.000 op te leggen naheffingsaanslagen. De opbrengsten zijn volgens belanghebbende € 38.280,- (11.000 x € 3,48 uurtarief parkeerkosten). De via de naheffingsaanslagen gegenereerde opbrengsten bedragen slechts 0,6% van de totale opbrengsten. Het is daarom evident dat dit systeem geheel wordt ingezet voor reguliere heffing en slechts in beperkte mate voor handhavingsdoeleinden.
16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk gemaakt dat de door belanghebbende betwiste post onderhoud Bluebrick (Brickyard) meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Zo heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat dat een handhavingssysteem betreft dat team Toezicht gebruikt om parkeercontroles te doen. Wanneer er geen geldig parkeerrecht is, is dit systeem nodig om de naheffingsaanslag uit te schrijven (de fysieke bon achter de ruit te plaatsen). De beroepsgrond slaagt daarom niet.
16.1.
Ten aanzien van het betoog van belanghebbende dat de geraamde opbrengsten van de naheffingsaanslagen bij de gemeente Deventer slechts 0,6% van de geraamde parkeerbelastingopbrengsten uitmaken en er dan geen sprake is van meer dan zijdelingse samenhang, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende onvoldoende in ogenschouw heeft genomen dat er een systemische afhankelijkheid bestaat tussen het heffen van parkeerbelastingen in zijn algemeenheid en het optreden tegen onbevoegd parkeren middels naheffingsaanslagen. Voor het aannemen van meer dan zijdelingse samenhang is namelijk niet enkel de financiële samenhang tussen de opbrengsten uit naheffingsaanslagen en de totale parkeerbelastingopbrengsten van belang, maar ook de omstandigheid dat het in stand houden van een systeem dat betaald parkeren en de controle daarop mogelijk maakt, mede ten dienste staat van het naheffen waar er niet op de goede manier gebruik van die mogelijkheid wordt gemaakt. Overigens is het de vraag of in het aandeel dat de naheffingen uitmaken van de totale opbrengsten van de parkeerkosten, naast het door belanghebbende gerekende parkeerbedrag voor een uur parkeren, niet tevens de naheffingskosten moet worden betrokken.
Kapitaallasten handhavingsapparatuur
17. Belanghebbende voert aan dat het onduidelijk is op welke apparatuur dit betrekking heeft en in hoeverre sprake is van meer dan zijdelingse samenhang met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. De heffingsambtenaar heeft dit niet nader gespecificeerd dan wel inzichtelijk gemaakt. Niet kan daarom worden vastgesteld of het om apparatuur gaat die rechtstreeks wordt gebruikt voor het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting, toezicht, controle of handhaving. Als sprake is van gemengd gebruikt wijst belanghebbende op het betoog onder Bluebrick.
18. De rechtbank overweegt dat de toelichting die de heffingsambtenaar op zitting heeft gegeven voldoende is om aannemelijk te maken dat de post kapitaallasten handhavingsapparatuur meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. De heffingsambtenaar heeft immers toegelicht dat het onder deze post gaat om kosten van de printer en investeringen. Ten aanzien van de overwegingen over het systeem Bluebrick verwijst de rechtbank naar de overwegingen hiervoor. De beroepsgrond slaagt niet.
Kosten Toezicht ex. Overhead/Overwerk
19. Belanghebbende stelt dat de toelichting die de heffingsambtenaar hierop geeft, namelijk dat team Toezicht zich bezighoudt met de handhaving van parkeerbelasting, ontoereikend is om te kunnen beoordelen of de kosten al dan niet terecht als lasten ter zake de naheffingsaanslag parkeerbelasting in de raming zijn opgenomen. Niet is inzichtelijk welke werkzaamheden hieronder vallen, hoeveel tijd eraan wordt besteed en in hoeverre ze meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. Toezicht op betaald parkeren valt niet zondermeer samen met inning van niet-betaalde parkeerbelasting.
20. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar in het verweerschrift inderdaad heeft toegelicht dat Team Toezicht zich (met gebruik van het systeem Bluebrick) bezighoudt met de handhaving van de parkeerbelasting. Zoals uit de toelichting ter zitting bij het systeem Bluebrick blijkt, kunnen de mensen van Team Toezicht als ze rondlopen met dit systeem kijken of er rechten zijn en als die er niet zijn een fysieke bon achter de voorruit plaatsen. Gelet hierop heeft de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk gemaakt dat de post Kosten Toezicht meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. De beroepsgrond slaagt niet.
Overhead en overwerk
21. Belanghebbende voert aan dat deze posten algemene overheadkosten betreffen die opgaan in uiteenlopende gemeentelijke activiteiten. De heffingsambtenaar stelt dat het overheadkostenpercentage binnen de norm van 50% van de personeelskosten blijft. Het gaat immers om overheadkosten die 25% van de loonsom van team Toezicht bedragen. Het geraamde bedrag van € 165.790,- blijft weliswaar beneden het maximale toegestane percentage, maar problematisch is dat de heffingsambtenaar niet heeft gekeken wat de werkelijke overheadkosten zijn. De heffingsambtenaar dient inzicht in de overheadkosten te geven. Zie ook de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 16 februari 2026 [12] . Verder ontbreekt zonder specificatie welke personeelskosten en werkzaamheden direct verband houden met handhaving van parkeerbelasting hiermee de noodzakelijke causaliteit. Verder voert belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar nalaat te verduidelijken welke kosten onder de post overwerk zijn opgenomen en waarom ze meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting.
22. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar in het aanvullend verweerschrift van 29 april 2026 de oorspronkelijke posten ‘Algemene overhead’ en ‘Overhead’ heeft vervangen voor ‘Overhead’ en ‘Overwerk’. Dit betreft een verschrijving als gevolg van het overnemen van onjuiste benamingen uit de oorspronkelijke kostenonderbouwing. Het ziet uitsluitend op de benaming en niet op de aard en omvang van de kosten. Over ‘Overhead’
(voorheen Algemene overhead) heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat dit een toeslag is voor de overhead van team Toezicht, namelijk 25% van de loonsom van Toezicht. Dit percentage blijft binnen de norm van 50 % van de personeelskosten. Meer algemeen heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat de personeelskosten, waaronder deze posten vallen, bestaan uit kosten van Team Toezicht en Team Belastingen. Team Toezicht houdt zich bezig met de handhaving van de parkeerbelasting en Team Belastingen houdt zich bezig met het verwerken, opleggen en innen van de naheffingsaanslagen en het behandelen van de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen. Gelet hierop heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat de post Overhead en Overwerk meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. De beroepsgrond slaagt niet.
Belastingen
23. Op dit punt voert belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar heeft aangegeven waar het team belastingen zich mee bezighoudt. De heffingsambtenaar laat na om deze post te splitsen naar de afzonderlijke werkzaamheden. Onduidelijk blijft nu welk deel van het bedrag ziet op het verwerken, opleggen en innen van naheffingsaanslagen. Als het ziet op de behandeling van bezwaarschriften, hangen de kosten niet meer dan zijdelings samen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. Primair is volgens de parlementaire geschiedenis [13] en A.P. Monsma [14] het doel dat rechtsbescherming wordt geboden aan degene aan wie een naheffingsaanslag wordt opgelegd. Als de rechtbank van oordeel is dat de kosten van de afhandeling van bezwaarschriften wel meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, geldt dat de samenhang uitsluitend ondersteunend is aan het primaire proces. Verder is onduidelijk wat de heffingsambtenaar bedoelt met innen van naheffingsaanslagen. Als het om de invordering gaat, kunnen deze kosten niet worden meegenomen. Deze post van € 55.263,- dient daarom integraal uit de raming te worden geëlimineerd.
24. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat Team belastingen zich bezighoudt met het verwerken, opleggen en innen van de naheffingsaanslagen en het behandelen van de bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen. Het betoog van belanghebbende kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Belanghebbende wijst immers op de splitsing van de afzonderlijke werkzaamheden, maar laat na te onderbouwen waarom dit onderscheid van belang is. Daarom bestaat geen grond voor de conclusie dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de post belastingen meer dan zijdelings verband houdt met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. De beroepsgrond slaagt niet.
25. Uit het voorgaande volgt dat de heffingsambtenaar de genoemde kostenposten die voor het opleggen van onderhavige naheffingsaanslag in rekening zijn gebracht aan de naheffingsaanslag ten grondslag heeft mogen leggen. De naheffingsaanslag blijft daarom in stand.

Conclusie en gevolgen

26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de opgelegde naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van
P.P. van Essen - van 't Ende, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:593, rechtsoverweging 4.9 (onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2014:777).
3.ECL:NL:HR:2021:360, rechtsoverweging 2.3.2.
5.Artikel 234, vijfde en zesde lid, van de Gemeentewet.
6.Het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen.
7.Artikel 2, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (Bgpb), geldig op 1 januari 2024.
8.Artikel 2, tweede lid, van het Bgpb.
9.Artikel 3, eerste lid, van het Bgpb.
10.Artikel 9 van Pro de Verordening parkeerbelasting Deventer 2025.
11.Arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, rechtsoverweging 3.3.5.
13.Kamerstukken I, 1988-1989, 20 565, nr. 140a, p. 4-5.
14.A.P. Monsma, ‘Verhalen van kosten van bezwaar en beroep via legestarieven’.