Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[belanghebbende 1],
[belanghebbende 2],
[belanghebbende 3] ,
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 6 februari 2026;
- een e-mail van mr. Appelman van 3 maart 2026;
- een e-mail van mr. Appelman met bijlagen van 12 juni 2026.
- verzoekers, bijgestaan door hun advocaat;
- [belanghebbende 1] ;
- de moeder;
2.De feiten
[belanghebbende 1]. De vader heeft [belanghebbende 1] op 16 november 2001 erkend, waarbij [belanghebbende 1] de geslachtsnaam “ [belanghebbende 3] ” kreeg. Bij Koninklijk Besluit van 22 mei 2019 is de geslachtnaam van [belanghebbende 1] gewijzigd in “ [belanghebbende 1] ”.
3.Het verzoek
4.De standpunten van de belanghebbenden
5.De beoordeling
Aan adoptie zijn om deze reden strikte voorwaarden verbonden. Het verzoek tot adoptie moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 van het BW.
5.10. Verzoekers zijn vanaf het eerste levensjaar van [belanghebbende 1] pleegouders voor haar geweest en hebben een ouderrol vervuld voor haar. Haar ouders waren niet in staat voor haar te zorgen. Zij is als volwaardig gezinslid opgevoed en opgegroeid in het gezin van verzoekers. Tussen verzoekers en [belanghebbende 1] is sprake van een warme, hechte band en [belanghebbende 1] ziet pleegouders als haar ouders en wil graag de juridische situatie in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie. [belanghebbende 1] heeft geen contact meer met haar biologische ouders en hun familieleden en heeft hier ook geen behoefte aan. Het is voor [belanghebbende 1] heel belangrijk om door verzoekers te worden geadopteerd. Om voor de rechtbank begrijpelijke redenen is het voor [belanghebbende 1] en verzoekers van groot persoonlijk en emotioneel belang dat de familieband die zij ervaren juridisch wordt bevestigd.
De rechtbank vindt het dan ook gerechtvaardigd om voorbij te gaan aan het bepaalde in artikel 1:228 lid 1 sub a BW Pro.
In dit geval zal de rechtbank voorbijgaan aan het bezwaar van de moeder. De rechtbank kan dit doen als het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband met elkaar hebben samengeleefd of als de ouder de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd. [6] De rechtbank stelt vast dat de moeder en [belanghebbende 1] niet of nauwelijks in gezinsverband met elkaar hebben geleefd. Uit de overgelegde hulpverleningsplannen blijkt dat [belanghebbende 1] in haar jeugd door de moeder is verwaarloosd. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan de tegenspraak van de moeder voorbij moet worden gegaan. Ook aan de overige voorwaarden van artikel 1:228 BW Pro, voor zover nog van toepassing, is voldaan.
6.De beslissing
[verzoeker 1]en
[verzoeker 2], wonende op een bij de rechtbank bekend adres, van:
Mr. E.P.J. Appelman
[belanghebbende 1]
[belanghebbende 2]
[belanghebbende 3]
Gemeente Enschede, afdeling Burgerzaken