ECLI:NL:RBOVE:2026:4532

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
ak_25_3404
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:17 AwbArt. 6:20 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig besluit en niet-ontvankelijkheid bezwaar omgevingsrecht

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar tegen een reactie van het college op een conceptverzoek om een hooiberg/schuur om te zetten in een woning. Het college heeft inmiddels alsnog op het bezwaar beslist en het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de reactie op het conceptverzoek geen besluit is in de zin van de Awb.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is omdat eiseres geen belang meer heeft nu het college een besluit heeft genomen. Tevens wordt geoordeeld dat de reactie van het college op het conceptverzoek een informele, niet-bindende beoordeling is zonder rechtsgevolg en dus geen besluit vormt. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Verder is vastgesteld dat het college geen dwangsom hoeft te betalen wegens het niet tijdig beslissen, omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was. De rechtbank wijst het beroep tegen het besluit op bezwaar af en veroordeelt eiseres niet tot vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak bevat tevens een toelichting op de toepasselijke wettelijke bepalingen en jurisprudentie.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk en het bezwaar is terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3404

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats] (hierna: [eiseres]), eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland(hierna: het college), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiseres] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een door haar gemaakt bezwaar. Dit bezwaar is gericht tegen de reactie van het college op een conceptverzoek over de mogelijkheid om een hooiberg/schuur om te zetten in een woning. Inmiddels heeft het college alsnog op dit bezwaar beslist. Daarom heeft [eiseres] geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen en is dat beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt nog wel of het college aan [eiseres] een dwangsom moet betalen wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
1.1.
Deze uitspraak gaat ook over het alsnog genomen besluit op bezwaar. Met dit besluit heeft het college het bezwaar van [eiseres] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. [eiseres] is het daar niet mee eens. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de reactie op het conceptverzoek geen besluit is en ook niet als een besluit moet worden aangemerkt. Het college heeft het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep tegen het besluit op bezwaar is dus ongegrond. Omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, hoeft het college [eiseres] geen dwangsom te betalen
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2.1.
Het college heeft met een brief van 11 oktober 2024 gereageerd op een ‘conceptverzoek’ over de mogelijkheid om een hooiberg/schuur om te zetten in een woning.
2.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar tegen de brief van 11 oktober 2024.
2.3.
Met een besluit van 9 december 2025 heeft het college het bezwaar van [eiseres] tegen de brief van 11 oktober 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
2.4.
[eiseres] heeft beroepsgronden ingediend tegen het besluit op bezwaar van 9 december 2025. Het college heeft op het beroep niet tijdig beslissen en op deze beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift. Het college heeft de rechtbank desgevraagd een aantal ontbrekende gedingstukken toegestuurd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. [eiseres] is verschenen, vergezeld door haar partner [naam 1] (hierna: [naam 1]). Namens het college zijn [naam 2], mr. M.A. Hoven en [naam 3] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is de voorgeschiedenis van deze procedure?
3. De voorgeschiedenis van deze procedure is – voor zover deze van belang is voor de beoordeling van het beroep – als volgt.
3.1.
Op 23 augustus 2024 heeft [naam 1] bij de gemeente via het online Omgevingsloket een formulier met daarop vermeld ‘conceptverzoek’ (hierna: het conceptverzoek) ingediend voor het omzetten van een hooiberg/schuur op het perceel [adres] (hierna: het perceel) naar een woning (hierna: het project). In een brief van 11 oktober 2024 heeft het college aan [naam 1] laten weten dat en waarom het niet positief adviseert over het project. In de brief is uitgelegd waarom het project volgens het college in strijd is met het omgevingsplan en waarom het college niet wil meewerken aan een afwijking van het omgevingsplan. Per e-mail van 24 november 2024 hebben [naam 1] en [eiseres] het college verzocht om een heroverweging van de reactie op het verzoek van 23 augustus 2024. In een e-mail van 19 december 2024 is door een medewerker van de gemeente Steenwijkerland uitgelegd waarom de gemeente geen reden ziet om terug te komen op de reactie in de brief van 11 oktober 2024.
3.2.
Met een brief van 23 juni 2025 heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen de brief van 11 oktober 2024.
3.3.
Met een brief van 15 oktober 2025, door het college ontvangen op 17 oktober 2025, heeft [eiseres] het college in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de brief van 11 oktober 2024.
3.4.
Met een brief van 31 oktober 2025, door de rechtbank ontvangen op 24 november 2025, heeft [eiseres] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaarschrift van 23 juni 2025.
3.5.
Met een besluit van 9 december 2025 heeft het college het bezwaar van [eiseres] tegen de brief van 11 oktober 2024 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat deze brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Is het beroep mede gericht tegen het besluit op bezwaar?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking heeft op het besluit op bezwaar van 9 december 2025 (hierna: het bestreden besluit). Op grond van deze bepaling heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Het bestreden besluit komt niet geheel aan het beroep tegemoet.
Heeft [eiseres] nog (proces)belang bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, omdat [eiseres] geen belang meer heeft bij een beoordeling van dit deel van het beroep. Daartoe overweegt de rechtbank dat het college inmiddels een besluit op bezwaar heeft genomen en dat niet is gebleken dat [eiseres] nog een ander belang heeft bij de beoordeling van dit deel van het beroep. De vraag of het college een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van het besluit, zal later in deze uitspraak aan de orde komen. [1]
Is de beslissing op het verzoek van 11 oktober 2024 een besluit?
6. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het college haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de reactie van het college van 11 oktober 2024 op het conceptverzoek wel een besluit is. Daartoe voert zij aan dat deze reactie feitelijke rechtsgevolgen heeft, omdat het college daarin ondubbelzinnig kenbaar heeft gemaakt dat het geen medewerking zal verlenen aan het beoogde gebruik en de afwijking van het omgevingsplan. Volgens [eiseres] wordt haar rechtspositie daar concreet door geraakt. Verder stelt zij zich op het standpunt dat het college haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om haar bezwaar mondeling toe te lichten. Zij is van mening dat haar bezwaar niet kennelijk niet-ontvankelijk is omdat de vraag of sprake is van een besluit juridisch inhoudelijk is.
7. De rechtbank is het met het college eens dat de brief van 11 oktober 2024 geen besluit is en dat deze brief ook niet als een besluit moet worden aangemerkt. Ook is zij van oordeel dat het college het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij legt dit hierna uit.
7.1.
Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder ‘besluit’ verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is volgens de wetgever gelijk aan een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg. Een beslissing heeft rechtsgevolg als zij er op is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer ander(en) te doen ontstaan of teniet te doen, of een juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. [2]
7.2.
De rechtbank stelt vast dat [naam 1] en [eiseres] met het conceptverzoek geen aanvraag om een omgevingsvergunning hebben ingediend. Dat zij dat overigens ook niet hebben beoogd blijkt uit de stellingen van [eiseres] zelf; zij en [naam 1] hebben er bewust voor gekozen om (eerst) een verzoek om vooroverleg (door het college ook wel aangeduid als ‘principeverzoek’) in te dienen omdat de gemeente dit had geadviseerd, zij zorgvuldig wilden handelen en zij wilden voorkomen dat zij mogelijk voor niets leges moesten betalen.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat een reactie op een conceptverzoek zoals hier aan de orde niet is gericht op enig rechtsgevolg. De rechtbank is het met het college eens dat de brief van 11 oktober 2024 een informele beoordeling van de haalbaarheid van het project en een niet-bindend standpunt bevat. Door de reactie op het conceptverzoek verandert de juridische status van het perceel niet. Ook ontstaat door deze reactie geen bevoegdheid, recht of verplichting en wordt daardoor evenmin een bevoegdheid, recht of verplichting teniet gedaan. Hieruit volgt dat de reactie op het conceptverzoek geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en dat de brief van 11 oktober 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
7.4.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de reactie op het conceptverzoek een bestuurlijk rechtsoordeel is. Hoewel zo’n rechtsoordeel in de regel geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, moet het in uitzonderingssituaties wel als besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. [3] Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier niet het geval, omdat voor [naam 1] en [eiseres] de mogelijkheid openstaat om een omgevingsvergunning aan te vragen. In het besluit op die aanvraag komen de vragen of het project al dan niet in strijd is met het omgevingsplan en of dit al dan niet kan worden vergund, ten volle aan de orde, zodat via die weg de gewenste duidelijkheid kan worden verkregen. De omstandigheid dat de uitkomst van een vergunningaanvraag op voorhand onzeker is, maakt het indienen van zo’n aanvraag niet onredelijk bezwarend. [4] Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het indienen van een vergunningaanvraag kosten met zich brengt. Daarbij is van belang dat iedereen die zo’n aanvraag indient die kosten moet betalen. [5]
7.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel stond dat de reactie op het conceptverzoek geen besluit of een als besluit aan te merken bestuurlijk rechtsoordeel is. Daarom heeft het college het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en kon het college met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb afzien van het horen van [eiseres] over haar bezwaar. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
7.6.
De rechtbank merkt overigens op dat de gemachtigden van het college op de zitting hebben aangeboden om (vooruitlopend op een eventuele vergunningaanvraag) een gesprek in te plannen om het project met [eiseres] en [naam 1] te bespreken.
Moet het college aan [eiseres] een dwangsom betalen wegens niet tijdig beslissen?
8. [eiseres] heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de dwangsom vast te stellen die is verbeurd vanwege het niet tijdig beslissing op het bezwaar. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, was het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk. Daarom is in dit geval geen dwangsom verschuldigd. Dit staat in artikel 4:17, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Awb. Het college hoeft [eiseres] dus geen dwangsom te betalen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van 23 juni 2025. Het beroep is ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit op bezwaar van 9 december 2025. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van 23 juni 2025;
- verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit op bezwaar van 9 december 2025.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

artikel 1:3, eerste lid

Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

artikel 4:17

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. […]
5 Geen dwangsom is verschuldigd indien: […]
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk […] is. […]

artikel 6:20, derde lid

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.

artikel 7:3

Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, […].

artikel 8:55c

Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. […]

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1474, rechtsoverweging (hierna: r.o.) 18.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1851, r.o. 7.1.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2691, r.o. 2.2
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1810.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:848, r.o. 2.