ECLI:NL:RBOVE:2026:4540

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
84/040568-22 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 342 SrArt. 343 SrArt. 344a SrArt. 2:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling faillissementsfraude met onttrekking boedel en administratieplichtschending

De rechtbank Overijssel heeft verdachte schuldig bevonden aan faillissementsfraude gepleegd als bestuurder van Stichting [bedrijf], die op 25 februari 2020 failliet werd verklaard. Verdachte heeft tussen 2016 en 2020 onder meer contant geld en een personenauto onttrokken aan de faillissementsboedel, terwijl zij wist dat dit de schuldeisers benadeelde. Tevens heeft zij buitensporig middelen verbruikt en niet voldaan aan de wettelijke administratieplicht, waardoor de afwikkeling van het faillissement werd bemoeilijkt.

De rechtbank stelde vast dat vanaf maart 2018 het faillissement voorzienbaar was en dat verdachte als penningmeester voldoende inzicht had moeten hebben in de financiële positie van de stichting. De contante opnames en de overdracht van de Audi A5 aan een derde zonder compensatie aan de boedel werden als onttrekkingen aangemerkt. Verdachte had toezicht moeten houden en ingrijpen, maar liet dit na, waardoor zij als functioneel dader werd aangemerkt.

De verdediging voerde aan dat verdachte niet betrokken was bij contante opnames en administratie, maar de rechtbank verwierp dit. De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de strafmaat in vergelijkbare zaken. De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van twee jaar en een ontzetting uit het bestuursrecht voor vijf jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en ontzetting als bestuurder voor vijf jaar wegens faillissementsfraude.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84/040568-22 (P)
Datum vonnis: 2 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] (België).

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 juli 2025, 8 juni 2026 en 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. F.A. van Katwijk, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:in de periode van 1 november 2017 tot en met 25 februari 2020 als bestuurder van d e [stichting] samen met een ander of alleen een auto en € 38.240,-- aan de faillissementsboedel heeft onttrokken, terwijl zij wist dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
feit 2:in de periode van 1 juli 2016 tot en met 25 februari 2020 als bestuurder van de later failliet verklaarde Stichting [bedrijf] samen met een ander of alleen buitensporig middelen heeft verbruikt, waardoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
feit 3:in de periode van 1 juli 2016 tot en met 8 november 2022 als bestuurder van de failliet verklaarde Stichting [bedrijf] samen met een ander of alleen opzettelijk niet heeft voldaan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van een administratie, waardoor de afwikkeling van het faillissement is bemoeilijkt (
primair),dan wel dat het niet voldoen aan deze administratie- en bewaarplicht aan haar schuld te wijten is geweest (
subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
zij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 november 2017 tot en
met 25 februari 2020 te [plaats] , in elk geval in Nederland,
als bestuurder van een rechtspersoon, te weten Stichting [bedrijf] , welke op
25 februari 2020 door de Rechtbank Groningen in staat van faillissement is
verklaard,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,
voor de intreding van bovengenoemd faillissement (telkens) enig(e) goed(eren) aan
de boedel heeft onttrokken, te weten:
- een personenauto van het merk Audi, type A5 met kenteken [kenteken] , althans ten
behoeve van een personenauto van het merk Audi, type A5 met kenteken [kenteken]
gemaakte kosten, te weten kosten voor de aanschaf en/of het onderhoud en/of de
verzekering en/of de lease en/of de overige kosten, en/of
- één of meerdere geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van €38.240, althans een
geldbedrag, contant heeft opgenomen van de zakelijke rekening(en) van Stichting
[bedrijf] met rekeningnummer(s) [rekeningnummer 1] (DOC-005) en/of
[rekeningnummer 2] (DOC-004),
terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s), (telkens) wist(en) dat hierdoor één
of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
2
zij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juli 2016 tot en met 25
februari 2020 te [plaats] , in elk geval in Nederland,
als bestuurder van een rechtspersoon, te weten Stichting [bedrijf] , welke op
25 februari 2020 door de Rechtbank Groningen in staat van faillissement is
verklaard,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,
voor de intreding van bovengenoemd faillissement, één of meerdere geldbedrag(en)
tot een totaalbedrag van €88.763, althans een geldbedrag, contant heeft opgenomen
van de zakelijke rekening(en) van Stichting [bedrijf] met
rekeningnummer(s) [rekeningnummer 1] (DOC-005) en/of [rekeningnummer 2]
(DOC-004),
waardoor zij, verdachte, en/of haar mededader(s), (telkens) buitensporig middelen
van voornoemde rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven en/of vervreemd, dan
wel hieraan heeft meegewerkt of daarvoor toestemming heeft gegeven, ten gevolge
waarvan één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld;
3
zij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juli 2016 tot en met 8
november 2022 te [plaats] , in elk geval in Nederland,
als bestuurder van een rechtspersoon, te weten Stichting [bedrijf] , welke op 25 februari 2020 door de Rechtbank Groningen in staat van faillissement is
verklaard,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,
voor en/of tijdens bovengenoemd faillissement (telkens) opzettelijk niet heeft
voldaan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke
verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de
daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge
waarvan de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt,
immers heeft zij, verdachte, en/of haar mededader(s) niet de (gehele) administratie
(onder meer een kasboek, bankafschriften, verantwoording voor de contante
opnames, verantwoording voor de overboekingen naar de rekening ten name van [medeverdachte]
en leenovereenkomsten) gevoerd en/of bewaard;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
het aan haar, verdachte, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juli
2016 tot en met 8 november 2022 te [plaats] , in elk geval in Nederland,
als bestuurder van een rechtspersoon, te weten Stichting [bedrijf] , welke op
25 februari 2020 door de Rechtbank Groningen in staat van faillissement is
verklaard,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,
te wijten is (geweest) dat er voor en/of tijdens bovengenoemd faillissement niet
werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie
en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere
gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement werd
bemoeilijkt,
immers heeft zij, verdachte, en/of haar mededader(s) niet de (gehele) administratie
(onder meer een kasboek, bankafschriften, verantwoording voor de contante
opnames, verantwoording voor de overboekingen naar de rekening ten name van [medeverdachte]
en leenovereenkomsten) gevoerd en/of bewaard.

3.De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De bewijsmotivering [1]
4.1
Inleiding
Op 11 oktober 2021 heeft de curator in het faillissement van de Stichting [bedrijf] (verder: [stichting] ), mr. P.T. Bakker, aangifte gedaan van – zakelijk gezegd – faillissementsfraude. Volgens de curator hebben de bestuurders van [stichting] , [medeverdachte] en [verdachte] , geen volledige en sluitende administratie bijgehouden. Daarnaast zijn er goederen aan de boedel onttrokken en buitensporige uitgaven gedaan, terwijl het faillissement van [stichting] al in zicht was. [2] Naar aanleiding van deze aangifte is op 22 oktober 2021 besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen, onder de naam “Banbury”. [3]
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde. Daartoe is het volgende – verkort weergegeven – aangevoerd.
Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, omdat verdachte geen wetenschap had van mogelijke benadeling van schuldeisers bij de overdracht van de Audi A5. Voorts blijkt niet uit het dossier dat verdachte betrokken is geweest bij de contante geldopnames.
Het onder 2 ten laste gelegde is eveneens niet bewezen omdat verdachte niet betrokken is geweest bij de contante geldopnames. Voor zover zou worden vastgesteld dat verdachte daarbij incidenteel betrokken is geweest, kunnen die gedragingen niet worden aangemerkt als buitensporig verbruiken, uitgeven of vervreemden van middelen in de zin van artikel 343 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet is bewezen dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan de op haar rustende administratie- en bewaarplicht. Hooguit kan sprake zijn van de subsidiair ten laste gelegde schuldvariant.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van het dossier en van hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
4.4.1
De redengevende feiten en omstandigheden
Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel werd [stichting] opgericht op 22 februari 2013 en was zij gevestigd op het adres [adres] in [plaats] . De bedrijfsactiviteiten bestonden uit “overige specialistische zakelijke dienstverlening”. Vanaf de oprichting tot de datum van het faillissement was [verdachte] bestuurder van [stichting] in de functie van penningmeester. [medeverdachte] was bestuurder in de periode van 22 februari 2013 tot 1 juli 2014 en opnieuw vanaf 1 maart 2018 tot de datum van het faillissement, in beide periodes in de functie van voorzitter. [4]
Volgens de statuten van [stichting] had de stichting tot doel het verlenen van persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en behandeling als bedoeld in het Besluit Zorgaanspraken AWBZ. [5] In de praktijk werd thuiszorg verleend aan voornamelijk Turks sprekende ouderen. De stichting was een toegelaten zorginstelling als bedoeld in de Wet Toelaten Zorginstelling (WTZI) en had als zodanig een registratie bij het ministerie van Volksgezondheid. [stichting] opereerde als onderaannemer van andere zorgorganisaties. Als gevolg van betalingsproblemen bij een hoofdaannemer ontstond bij [stichting] een forse loonbelastingschuld, die eind 2017 circa € 126.000,-- bedroeg. Vanaf november 2017 is [stichting] een constructie gaan hanteren waarbij de verleende zorg rechtstreeks werden vergoed op basis van de zorgverzekeringsovereenkomst tussen de cliënten van [stichting] en hun zorgverzekeraars. De cliënten van [stichting] droegen door middel van akten van cessie hun vergoedingsaanspraken over aan [stichting] , waarna de declaraties rechtstreeks bij de zorgverzekeraars werden ingediend. [6]
Op 8 maart 2018 heeft de verzekeringsmaatschappij A.S.R. Nederland N.V. (verder: ASR) aan [stichting] medegedeeld dat tijdens een periodieke controle aanwijzingen voor mogelijke fraude waren geconstateerd. A.S.R. heeft daarop aangekondigd alle declaraties nader te onderzoeken en gedurende dat onderzoek betaling van nog openstaande declaraties op te schorten. [7] Volgens de polisvoorwaarden van ASR dienden de zorgindicaties te worden gesteld door een BIG-geregistreerde (wijk)verpleegkundige met een hbo-diplomering. Op 24 april 2018 heeft [naam 1] , werkzaam als specialist zorgcontrole bij ASR, medegedeeld dat uit onderzoek was gebleken dat de persoon die voor [stichting] zorgindicaties stelde, de heer [naam 2] , niet bevoegd was tot het stellen van indicaties en dat de declaraties die betrekking hadden op de door hem geïndiceerde zorg niet vergoed zouden worden en tevens de reeds betaalde declaraties zouden worden teruggevorderd. [8]
Op 13 maart 2019 heeft Menzis Zorgverzekeraar N.V. (verder: Menzis) kenbaar gemaakt dat de door [stichting] ingediende declaraties zouden worden onderzocht op rechtmatigheid en dat gedurende het onderzoek geen declaraties zouden worden uitbetaald. [9] Op 26 juni 2019 heeft Menzis medegedeeld dat uit haar onderzoek was gebleken dat de heer [naam 2] niet conform de verzekeringsvoorwaarden gekwalificeerd was om indicaties te stellen, de administratie en rapportages van [stichting] geen weergave van de realiteit gaven en er structureel meer uren werden gedeclareerd dan geïndiceerd. Menzis berichtte dat de uitbetaalde declaraties zouden worden teruggevorderd en dat toekomstige declaraties niet zouden worden uitbetaald. [10]
De inkomsten van [stichting] bestonden voor een groot deel uit de uitbetaling van declaraties door de verzekeraars ASR en Menzis. Doordat de uitbetalingen langdurig werden opgeschort, kwam de inkomstenstroom van [stichting] stil te liggen. Het gevolg was dat de schulden van [stichting] opliepen en dat zij niet meer in staat was aan haar lopende verplichtingen te voldoen. Het voorgaande heeft uiteindelijk ertoe geleid dat Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn een verzoek tot faillietverklaring van [stichting] heeft ingediend. Op 25 februari 2020 is [stichting] door de rechtbank Noord-Nederland in staat van faillissement verklaard. In het faillissement is mr. P.T. Bakker als curator aangesteld. [11]
Uit het beslagrekest van 4 november 2021 en het meest recente faillissementsverslag van 24 december 2024 blijkt dat de curator heeft vastgesteld dat voorafgaand aan het faillissement sprake was van diverse ernstige onregelmatigheden die het faillissement hebben veroorzaakt, de vereffening van de boedel hebben bemoeilijkt en anderszins de schuldeisers van [stichting] hebben benadeeld. De curator stelde onder meer het volgende vast.
Blijkens de bankafschriften van [stichting] werden vanaf juli 2016 forse bedragen overgeboekt van de zakelijke bankrekening van [stichting] naar een bankrekening met het rekeningnummer [rekeningnummer 3] ten name van [bedrijf] B.V. Uit de administratie bleek geen deugdelijke zakelijke grondslag voor deze betalingen. Daarbij komt dat de overboekingen plaatsvonden na ontbinding van [bedrijf] B.V. op 31 december 2015. De overboekingen zijn op de jaarrekening van [stichting] over 2018 afgeboekt zonder dat daar een steekhoudende reden voor was. Ook blijkt uit de bankafschriften van [stichting] dat er bedragen zijn overgemaakt naar de privérekening van [medeverdachte] zonder dat daarvoor een zakelijke rechtvaardiging kon worden vastgesteld. Tot slot heeft de curator geconstateerd dat aanzienlijke bedragen contant werden opgenomen van de rekening van [stichting] , zonder dat deze contante opnames in de administratie werden verantwoord. [medeverdachte] verklaarde dat aan deze opnames verschillende “handschulden/leningen” ten grondslag lagen. [12]
Voorts heeft de curator vastgesteld dat medio 2019, op het moment dat de bedrijfsactiviteiten van de stichting feitelijk werden gestaakt, twee personenauto’s (te weten een Audi A5 en een Audi Q7) aan het vermogen van [stichting] zijn onttrokken. [13]
Op 25 februari 2020 heeft de curator alle administratie gevorderd ter afhandeling van het faillissement. De curator heeft geconstateerd dat de aangeleverde administratie op meerdere punten onvolledig en ontoereikend was. De curator heeft niet alle bankafschriften ontvangen, waardoor diverse overboekingen en contante opnames niet waren verantwoord en niet konden worden geverifieerd. Evenmin werden leenovereenkomsten aangetroffen die de door [medeverdachte] genoemde handleningen konden onderbouwen. Ook ontbrak een kasboek. [14]
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de FIOD aan de hand van de bankafschriften van de zakelijke bankrekeningen van [stichting] met de rekeningnummers [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 5] de geldstromen onderzocht. [15] Uit het onderzoek van de FIOD kwam naar voren dat over de gehele periode van 1 juli 2016 tot en met 25 februari 2020 in totaal een bedrag van € 88.763,-- in contanten was opgenomen. [16] Over de periode van 1 november 2017 tot en met 25 februari 2020 was dat in totaal € 38.240,--. [17]
Uit het onderzoek van de FIOD kwam verder naar voren dat in de periode van 1 juli 2016 tot en met 25 februari 2020 een totaalbedrag van € 49.514,-- was overgeboekt naar de bankrekening van [bedrijf] B.V. met het rekeningnummer [rekeningnummer 6] en een totaalbedrag van € 76.996,-- naar de privérekening van [medeverdachte] met rekeningnummer [rekeningnummer 7] . [18] Over de periode van 1 november 2017 tot en met 25 februari 2020 was een totaalbedrag van € 35.979,-- overgeboekt naar de bankrekening van [bedrijf] B.V. met het rekeningnummer [rekeningnummer 6] respectievelijk een totaalbedrag van € 49.810,-- naar de privérekening van [medeverdachte] met rekeningnummer [rekeningnummer 7] . [19]
Daarnaast is uit onderzoek van de FIOD gebleken dat [stichting] op 1 december 2017 een personenauto van het merk Audi, type A5, met het kenteken [kenteken] (verder: Audi A5), heeft gekocht voor een bedrag van € 19.000,--. Ten behoeve van de financiering heeft [stichting] een financial leaseovereenkomst gesloten met Alphera Financial Services. Blijkens de leaseovereenkomst is voor de aanschaf een krediet verstrekt van € 14.997,19. Het resterende deel van de koopsom werd voldaan door inruil van een Volkswagen Golf ter waarde van € 503,--, een overboeking van € 2.700,-- door [verdachte] vanaf de bankrekening met nummer [rekeningnummer 8] en een betaling van € 800,-- per pin. De Audi A5 is onder eigendomsvoorbehoud geleverd aan [stichting] . Uit het systeem Houderschap Belastingen van de Belastingdienst volgt dat de Audi A5 op 29 augustus 2019 is overgeschreven op naam van
[naam 3] , de (ex)partner van verdachte [verdachte] , waarbij hij de leaseovereenkomst met toestemming van Alphera Financial Lease heeft overgenomen. De FIOD heeft berekend dat de Audi A5 in augustus 2019 een overwaarde vertegenwoordigde van € 5.986,--. Niet is gebleken dat dit bedrag ten goede van de boedel van [stichting] is gekomen. [20]
4.4.2
Overwegingen van de rechtbank
4.4.2.1 Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Voor een bewezenverklaring van artikel 343 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr) is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte als (feitelijk) bestuurder opzet heeft gehad op de benadeling van de schuldeisers. In dat verband is voorwaardelijk opzet voldoende. Dit impliceert dat ten tijde van de tenlastegelegde handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement moet hebben bestaan, waarbij een aanmerkelijke kans in dit verband een redelijke mate van waarschijnlijkheid is, of dat als gevolg van die handelingen een redelijke mate van waarschijnlijkheid van een faillissement is ontstaan. Het (voorwaardelijk) opzet op het faillissement zelf is geen zelfstandig vereiste. Met andere woorden, ten tijde van de tenlastegelegde handelingen moet het faillissement voor verdachte voorzienbaar zijn geweest.
4.4.2.1.1 Zicht op faillissement
De rechtbank stelt voorop dat niet ter discussie staat dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode formeel bestuurder was van [stichting] . Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat de financiële positie van [stichting] reeds geruime tijd zorgelijk was. Nog voordat [stichting] zelf declaraties bij zorgverzekeraars ging indienen, kampte zij al met een aanzienlijke schuld bij de Belastingdienst. [stichting] verkeerde derhalve toen al in financieel zwaar weer. Op 8 maart 2018 heeft ASR medegedeeld dat aanwijzingen voor mogelijke fraude waren geconstateerd en dat alle declaraties nader zouden worden onderzocht. In afwachting van dat onderzoek werden de openstaande declaraties niet uitbetaald. Op 13 maart 2019 heeft Menzis een vergelijkbaar standpunt ingenomen en eveneens besloten de uitbetaling van declaraties op te schorten. De rechtbank stelt vast dat de inkomsten van [stichting] in belangrijke mate afhankelijk waren van de uitbetaling van declaraties door zorgverzekeraars. Vanaf 8 maart 2018 kwam een aanzienlijk deel van de inkomstenstroom van [stichting] stil te liggen, terwijl de bestaande financiële verplichtingen bleven doorlopen. Volgens de curator is het opschorten van de declaratiebetalingen uiteindelijk de directe oorzaak geweest van het faillissement. [21] Tegen de achtergrond van de reeds aanwezige belastingschuld en de kwetsbare financiële positie van [stichting] , is de rechtbank van oordeel dat vanaf 8 maart 2018 sprake was van een situatie waarin een faillissement zich met een redelijke mate van waarschijnlijkheid liet voorzien. Dit betekent dat vanaf 8 maart 2018 sprake was van een aanmerkelijke kans op een faillissement van [stichting] .
Dat verdachte heeft verklaard zich niet of nauwelijks met de administratie en financiële gang van zaken binnen [stichting] te hebben bemoeid, maakt dit oordeel niet anders. Van een bestuurder mag worden verwacht dat deze zich op de hoogte stelt van de financiële positie van de rechtspersoon. Juist van verdachte, gelet op haar functie van penningmeester, mag worden verwacht dat zij inzicht had in de financiële positie van [stichting] . Nu verdachte als bestuurder gelegenheid had, in staat was en ook de verantwoordelijkheid droeg zich volledig inzicht te verschaffen in de financiële positie van [stichting] , moet het ervoor worden gehouden dat het faillissement van [stichting] voor verdachte vanaf 8 maart 2018 voorzienbaar is geweest.
4.4.2.1.2 Onttrekking aan de boedel
Van onttrekking van een goed aan de boedel is sprake indien een vermogensbestanddeel dat rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoort te komen, voorafgaand of tijdens het faillissement buiten diens bereik en beheer wordt gesteld.
Audi A5
Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat [stichting] op 1 december 2017 een Audi A5 heeft aangeschaft. Ten behoeve van de financiering van deze auto is een financial leaseovereenkomst gesloten. In die overeenkomst is bepaald dat de auto onder eigendomsvoorbehoud werd geleverd en dat het juridisch eigendom na voldoening van alle leasetermijnen op [stichting] zou overgaan. De rechtbank stelt vast dat [stichting] ten tijde van de overdracht van de auto op 29 augustus 2019 niet de juridisch eigenaar van de Audi A5 was. In zoverre kan niet worden gesteld dat de auto zelf onderdeel uitmaakte van het vermogen van [stichting] . De rechtbank begrijpt de tenlastelegging echter zo, mede gelet op de inhoud van AMB-007, dat de steller van de tenlastelegging met de vermelding van de Audi A5 tevens erop heeft gedoeld dat (een deel van) de vermogenswaarde van die auto, en derhalve de auto, economisch gezien tot de boedel behoorde. Uit het dossier volgt dat de economische waarde van de Audi A5 ten tijde van de debiteurswijziging op 29 augustus 2019 hoger was dan de nog openstaande verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomst. Niet is gebleken dat (de faillissementsboedel van) [stichting] voor de overwaarde is gecompenseerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat (een deel van vermogenswaarde van) de Audi A5 op 29 augustus 2019 – en dus nadat het faillissement voorzienbaar was geworden – aan de boedel van [stichting] is onttrokken, nu dit/deze onder het bereik en beheer van de curator had behoren te vallen.
Contante opnames
Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat in de periode van
1 november 2017 tot en met 25 februari 2020 in totaal € 38.240,-- contant is opgenomen van de zakelijke bankrekeningen van [stichting] . De curator heeft vastgesteld dat voor deze opnames geen grondslag in de administratie is aangetroffen, laat staan een zakelijke. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de contante opnames. Medeverdachte [medeverdachte] heeft in een brief aan de curator aangegeven dat de contante opnames verband hielden met de aflossing van verschillende “handschulden/leningen”. [22] Deze verklaring vindt echter geen steun in de administratie. Zo zijn geen leenovereenkomsten, kwitanties of andere bescheiden aangetroffen waaruit het bestaan van deze geldleningen of de gestelde terugbetalingen blijkt. Bij gebreke van een deugdelijke administratie heeft de FIOD niet kunnen achterhalen waar deze gelden zijn gebleven. Deze gelden zijn daarom als onttrekking te beschouwen.
De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zelf betrokken is geweest bij de contante geldopnames.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van het als bestuurder van een rechtspersoon onttrekken van goederen aan de boedel niet is vereist dat vast staat dat sprake is van enig zelfstandig handelen door verdachte waarmee de goederen buiten het bereik en beheer van de curator zijn gebracht. Een verboden gedraging kan in redelijkheid aan verdachte als (functioneel) dader worden toegerekend indien deze erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en indien zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door verdachte werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. [23]
De rechtbank stelt vast dat verdachte in de ten laste gelegde periode bestuurder en penningmeester van [stichting] was. Uit die functie vloeit voort dat zij verantwoordelijkheid droeg voor de financiële gang van zaken binnen [stichting] . Voorts heeft medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat verdachte gemachtigd was ten aanzien van de zakelijke bankrekeningen van [stichting] . Verdachte had dus de bevoegdheid en de feitelijke mogelijkheid om in te grijpen bij de financiële handel en wandel van [stichting] . Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van verdachte lag toezicht te houden op de geldstromen van [stichting] , te signaleren dat contant geld werd opgenomen zonder dat dit werd verantwoord in de administratie en in te grijpen op die gang van zaken. Verdachte heeft dat nagelaten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de contante geldopnames in redelijkheid aan verdachte als functioneel dader kunnen worden toegerekend. Deze gelden hadden onder bereik en beheer van de curator horen te vallen.
Nu de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat vanaf 8 maart 2018 het faillissement van [stichting] voor verdachte voorzienbaar is geweest, zijn de contante geldopnames die nadien hebben plaatsgevonden als onttrekkingen aan de boedel te beschouwen. Dat betekent dat niet het volledige bedrag van € 38.240,-- als onttrekking kan worden aangemerkt. Het overzicht van de FIOD vermeldt de totalen van de contante geldopnames per maand. Het totaalbedrag van de onttrekking in de pleegperiode is daarom niet exact vast te stellen, maar ligt ergens tussen € 19.620,-- (het bedrag exclusief de maand maart 2018) en € 27.090,-- (het bedrag inclusief de maand maart 2018). De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte enig geldbedrag aan de faillissementsboedel van [stichting] heeft onttrokken.
4.4.2.1.3 Opzet op de benadeling van schuldeisers
De rechtbank stelt voorop dat voor bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde verdachte het opzet moet hebben gehad op benadeling van de schuldeisers en dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is. Voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat de verdachte door die gedraging die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte vanaf 8 maart 2018 opzet had op de benadeling van de schuldeisers. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat de aanmerkelijke kans op een faillissement van [stichting] voor verdachte vanaf 8 maart 2018 voorzienbaar was. Vaststaat dat na 8 maart 2018 geldbedragen contant zijn opgenomen en aan de boedel zijn onttrokken. Daarnaast is de Audi A5 overgeschreven op een derde, zonder dat [stichting] werd gecompenseerd voor de overwaarde van dat voertuig. Hierdoor is vermogen aan de faillissementsboedel onttrokken, waarop de schuldeisers van [stichting] zich anders hadden kunnen verhalen. Zoals hiervoor is overwogen heeft verdachte, door niet in te grijpen en de gang van zaken op zijn beloop te laten, niet de zorg betracht die in redelijkheid van haar mocht worden gevergd ter voorkoming van de benadeling van schuldeisers. Daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.4.2.2 Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte als bestuurder van [stichting] voorafgaand aan het faillissement buitensporig middelen heeft verbruikt, uitgegeven en/of vervreemd waardoor één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld. Bij de beoordeling daarvan stelt de rechtbank voorop dat onder buitensporig verbruiken, uitgeven of vervreemden van middelen als bedoeld in artikel 343 Sr Pro moet worden verstaan: handelingen die als volstrekt onredelijk moeten worden aangemerkt. In de context van een onderneming gaat het daarbij om handelingen die vanuit het oogpunt van goed ondernemerschap onverklaarbaar of onverantwoord zijn, omdat ze geen reëel economisch doel dienen. Het handelen van verdachte moet daarbij tot gevolg hebben dat één of meer schuldeisers zijn benadeeld. Voor een bewezenverklaring is niet vereist dat de verdachte opzet heeft gehad op het benadelen van schuldeisers. [24]
Verdachte was gedurende de ten laste gelegde periode (formeel) bestuurder van [stichting] . Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat in de periode van 1 juli 2016 tot 25 februari 2020 in totaal € 88.763,-- contant is opgenomen van de zakelijke bankrekeningen van [stichting] . De curator noch de FIOD heeft kunnen vaststellen waaraan deze gelden zijn besteed. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ten aanzien van het functioneel daderschap is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de contante geldopnames aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat het opnemen van geldbedragen zonder dat uit de administratie kan worden opgemaakt waaraan deze zijn besteed en ten aanzien waarvan ook overigens niet is gebleken van enige zakelijke grondslag, vanuit goed ondernemerschap onverklaarbaar en onverantwoord is en daarom volstrekt onredelijk is. De schuldeisers van [stichting] zijn door dit handelen in hun verhaalsmogelijkheden benadeeld. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte voor het faillissement van [stichting] buitensporig middelen heeft verbruikt, uitgegeven en vervreemd.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.4.2.3 Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
De rechtbank overweegt dat een bestuurder van een rechtspersoon op grond van artikel 2:10
van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht is een administratie te voeren en de daartoe
behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat
te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Uit
jurisprudentie blijkt dat aan de administratieplicht is voldaan indien het mogelijk is om snel
inzicht te krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie. Daarnaast dienen deze posities en
de stand van de liquiditeiten een redelijk inzicht te geven in de vermogenspositie van de
rechtspersoon. [25]
De curator heeft in zijn aangifte verklaard dat hij de volledige administratie van [stichting] heeft gevorderd. De curator heeft vastgesteld dat de aangeleverde administratie ontoereikend was. Daarbij heeft hij geconstateerd dat aanzienlijke contante opnames en diverse overboekingen vanaf de zakelijk bankrekening niet door de administratie konden worden verklaard. Ook ontbraken stukken die inzicht konden geven in de bestemming van deze gelden. Naar aanleiding daarvan heeft de FIOD de door de curator ontvangen administratie onderzocht. De bevindingen van de curator worden door de uitkomsten van dat onderzoek bevestigd.
De rechtbank stelt vast dat niet alle bankafschriften van de zakelijke bankrekening in de administratie aanwezig waren. Daarnaast ontbrak een kasboek, terwijl aanzienlijke bedragen contant van deze rekening waren opgenomen. Ook ontbrak verantwoording van de overboekingen naar de privérekening van verdachte [medeverdachte] en de rekening van de (reeds ontbonden) rechtspersoon [bedrijf] B.V. Gelet op deze bevindingen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake was van een sluitende en deugdelijke administratie, terwijl verdachte als bestuurder daar verantwoordelijk voor was.
De verklaring van verdachte, inhoudende dat zij zich niet bezighield met de administratie van [stichting] , maakt dat oordeel niet anders. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich niet kan verschuilen achter anderen. Verdachte was als formeel bestuurder zelf gehouden een deugdelijke administratie te voeren. Door de administratie geheel aan medeverdachte [medeverdachte] over te laten en daarop geen enkele controle uit te voeren, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de administratie incompleet zou zijn, met als gevolg dat de administratie- en bewaarplicht zou worden geschonden. Als gevolg van de incomplete administratie kon de curator de rechten en verplichtingen van [stichting] niet volledig vaststellen en hierdoor is de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkt. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 3 primair ten laste gelegde.
4.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
zij, op tijdstippen in de periode 8 maart 2018 tot en met 25 februari 2020 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten Stichting [bedrijf] , welke op
25 februari 2020 door de Rechtbank Groningen in staat van faillissement is
verklaard, voor de intreding van bovengenoemd faillissement telkens enige goederen aan
de boedel heeft onttrokken, te weten:
- een personenauto van het merk Audi, type A5 met kenteken [kenteken] en
- een geldbedrag, contant heeft opgenomen van de zakelijke rekeningen van Stichting
[bedrijf] met rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] ,
terwijl zij, verdachte, telkens wist dat hierdoor één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
2
zij, op tijdstippen in de periode 1 juli 2016 tot en met 25 februari 2020, in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten Stichting [bedrijf] , welke op 25 februari 2020 door de Rechtbank Groningen in staat van faillissement is verklaard, voor de intreding van bovengenoemd faillissement, meerdere geldbedragen tot een totaalbedrag van € 88.763, contant heeft opgenomen van de zakelijke rekeningen van Stichting [bedrijf] met rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] , waardoor zij, verdachte, telkens buitensporig middelen van voornoemde rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven en vervreemd, ten gevolge waarvan één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld;
3
zij, op tijdstippen in de periode 1 juli 2016 tot en met 8 november 2022 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten Stichting [bedrijf] , welke op 25 februari 2020 door de Rechtbank Groningen in staat van faillissement is verklaard, voor en tijdens bovengenoemd faillissement telkens opzettelijk niet heeft voldaan en heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt, immers heeft zij, verdachte, niet de (gehele) administratie (onder meer een kasboek, bankafschriften, verantwoording voor de contante opnames, verantwoording voor de overboekingen naar de rekening ten name van [medeverdachte] ) gevoerd en bewaard.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 342, 343, 344a van het Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
feit 1
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekken;
en
feit 2
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, buitensporig middelen van de rechtspersoon verbruiken, uitgeven of vervreemden;
feit 3 primair
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf van 180 uren.
Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte als bijkomende straf een beroepsverbod wordt opgelegd, inhoudende dat verdachte het beroep van bestuurder van een rechtspersoon niet mag uitoefenen voor de duur van vijf jaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
Indien en voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring van een of meer tenlastegelegde feiten komt, heeft de raadsman verzocht te volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke straf.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van de gepleegde feiten
Verdachte heeft zich – kort gezegd – schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Zij heeft een totaalbedrag van ongeveer € 20.000,- tot € 27.000,-- en de overwaarde van een Audi A5 aan de boedel van [stichting] onttrokken, terwijl het faillissement van [stichting] voorzienbaar was. In een breder verband heeft verdachte buitensporige uitgaven gedaan. Het totaalbedrag aan buitensporig verbruik of vervreemding van middelen, inclusief het deel dat overlapt met het onttrokken totaalbedrag als hiervoor bedoeld, bedraagt € 88.763,-- Het geld is naderhand niet getraceerd en derhalve niet alsnog ter beschikking gesteld aan de curator. Met haar handelen heeft verdachte niet alleen in het bijzonder de schuldeisers benadeeld, maar ook in het algemeen het vertrouwen geschaad dat in een eerlijke afwikkeling van het faillissement mag worden gesteld. De rechtbank rekent verdachte dit alles aan.
Daarnaast heeft verdachte zich niet gehouden aan de haar als bestuurder wettelijk opgedragen plicht een volledige en deugdelijke administratie te voeren en te bewaren. Door het niet juist bijhouden van de administratie was het voor de curator niet mogelijk om op een eenvoudige wijze voldoende betrouwbaar inzicht te verkrijgen in de vermogenspositie en rechten en verplichtingen van [stichting] . Als gevolg hiervan was het voor de curator moeilijker om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen, terwijl het maatschappelijk en economische verkeer verlangt dat faillissementen voortvarend en efficiënt worden afgewikkeld. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De persoon van verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 28 mei 2026, waaruit volgt dat zij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast hebben verdachte en de raadsman onderbouwd met stukken toegelicht dat verdachte kampt met de nodige psychische problemen.
De redelijke termijn
Anders dan door de raadsman is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Op 12 september 2024 is de dagvaarding aan verdachte betekend. Eerst op dat moment is tegen verdachte een handeling verricht waaraan zij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. [26] Dat geldt niet voor het (eerste) verhoor van verdachte door de politie, nu verdachte (telkens) uitdrukkelijk en uitgebreid heeft ontkend en heeft verwezen naar medeverdachte [medeverdachte] als de verantwoordelijke. Onder die omstandigheden kon zij naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet de verwachting ontlenen dat (ook) zij zou worden vervolgd. De rechtbank stelt aldus vast dat op 12 september 2024 de redelijke termijn is aangevangen waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De datum van dit vonnis is 2 juli 2026, wat geen overschrijding van de redelijke termijn oplevert.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van (de hoogte van) de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarbij het benadelingsbedrag in grote mate richtinggevend is. Deze oriëntatiepunten geven een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf tot negen maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf in overweging bij een benadelingsbedrag van € 70.000,-- tot € 125.000,--.
Verdachte heeft nauwelijks verantwoordelijkheid genomen voor haar handelen. Zij heeft zich telkens op het standpunt gesteld dat zij niet betrokken was bij de administratie en de financiële gang van zaken binnen [stichting] en heeft de verantwoordelijkheid daarvoor ondanks haar eigen bestuursfunctie grotendeels bij haar medebestuurder, medeverdachte [medeverdachte] , neergelegd.
Alles afwegende ziet de rechtbank echter aanleiding een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de ouderdom van de zaak, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de strafoplegging in de zaak tegen de medeverdachte. De rechtbank acht het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding daarnaast nog een onvoorwaardelijke straf op te leggen. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een proeftijd van twee jaren aangewezen.
Verdachte heeft zich laten inschrijven als bestuurder van [stichting] , terwijl zij naar eigen zeggen op dat moment en gedurende de gehele duur van haar bestuursfunctie niet of nauwelijks wist welke taken, verantwoordelijkheden en verplichtingen daarmee gepaard gingen. Gelet hierop zal de rechtbank een bijkomende straf opleggen. De rechtbank acht het noodzakelijk te voorkomen dat verdachte voorlopig opnieuw een bestuursfunctie binnen een rechtspersoon kan bekleden. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte voor de duur van vijf jaren wordt ontzet uit het recht het beroep van bestuurder van een rechtspersoon uit te oefenen.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 31, 55 en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de eendaadse samenloop van:
feit 1
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekken;
en
feit 2
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, buitensporig middelen van de rechtspersoon verbruiken, uitgeven of vervreemden;
feit 3 primair
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 primair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
-
ontzet verdachte uit het recht tot de uitoefening van het beroepvan bestuurder van enige rechtspersoon of een daaraan gelijkgestelde rechtsvorm voor de duur van
5 (vijf) jaren.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. H. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst/ FIOD met nummer 70807/Banbury. Tenzij hieronder anders wordt vermeld wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Een geschrift, te weten een aangifte van vermoedelijke faillissementsfraude van mr. P.T. Bakker van 11 oktober 2021, DOC-002, p. 554 t/m 558.
3.Het proces-verbaal van verdenking van 8 februari 2022, AM-001, p. 247 t/m 255.
4.Een geschrift, te weten een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel betreffende Stichting [bedrijf] van 26 november 2021, DOC-006, p. 1175 en 1176.
5.Een geschrift, te weten een Statutenwijziging Stichting betreffende de Stichting [bedrijf] , DOC-008, p. 1179 en 1180.
6.Een geschrift, te weten een openbaar faillissementsverslag betreffende Stichting [bedrijf] van 24 december 2024.
7.Een geschrift, te weten een brief van ASR Verzekeringen N.V. van 8 maart 2018, DOC-113, p. 1674 en 1675.
8.Een geschrift, te weten een e-mail van [naam 1] van 24 april 2018, DOC-114, p. 1676.
9.Een geschrift, te weten een brief van Menzis Zorgverzekeraar N.V. van 13 maart 2019, DOC-116, p. 1686 en 1687.
10.Een geschrift, te weten een brief van Menzis Zorgverzekeraar N.V. van 26 juni 2019, DOC-117, p. 1688 t/m 1693.
11.Een geschrift, te weten een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 25 februari 2020, DOC-001, p. 552 en 553.
12.Een geschrift, te weten een brief van [stichting] aan de curator, DOC-098, p. 1527.
13.Een geschrift, te weten het verzoekschrift tot het mogen leggen van conservatoir beslag ex art. 700 jo Pro 711 jo 725 Rv betreffende Stichting [bedrijf] van 4 november 2021, DOC-003, p. 559 t/m 582.
14.Het proces-verbaal van faillissementsfraude van 8 november 2022, ZD-001-01, p. 105 en 106.
15.Het proces-verbaal van bevindingen van 11 augustus 2022, AMB-005, p. 258 en 259.
16.Het proces-verbaal van bevindingen (eenvoudige bankbreuk 01-07-2016 tot en met 25-02-2020) van 13 juni 2025, AMB-016-01, p. 2.
17.Het proces-verbaal van bevindingen (bedrieglijke bankbreuk 01-11-2017 tot en met 25-02-2020) van 13 juni 2025, AMB-017-01, p. 1 t/m 6.
18.Het proces-verbaal van bevindingen (eenvoudige bankbreuk 01-07-2016 tot en met 25-02-2020) van 13 juni 2025, AMB-016-01, p. 3 en 4.
19.Het proces-verbaal van bevindingen (bedrieglijke bankbreuk 01-11-2017 tot en met 25-02-2020) van 13 juni 2025, AMB-017-01, p. 1 t/m 6.
20.Het proces-verbaal van bevindingen (onttrekking Audi A5) van 11 augustus 2022, AMB-007, p. 266 t/m 268.
21.Een geschrift, te weten een aangifte van vermoedelijke faillissementsfraude van mr. P.T. Bakker van 11 oktober 2021, DOC-002, p. 555.
22.Een geschrift, te weten een brief van [stichting] aan de curator, DOC-098, p. 1527.
23.Hoge Raad 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3487.
25.Hoge Raad 13 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:713 en Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2932.
26.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.12.1.