Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:849

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
AK_25_1512
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister onterecht niet-ontvankelijk verklaring bezwaar tegen afsluitende brief FSV

Eiseres verzocht de minister om herziening van de uitkomsten van de Fraude Signalering Voorziening (FSV) en om een schadevergoeding na een afsluitende brief van de minister waarin werd meegedeeld dat zij niet in aanmerking kwam voor financiële tegemoetkoming. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het zou zien op onrechtmatig bestuurshandelen, waarvoor de civiele rechter bevoegd zou zijn.

De rechtbank oordeelt dat de brief van 22 juli 2023 kwalificeert als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat de brief van 6 oktober 2023 als een bezwaarschrift moet worden aangemerkt. De termijnoverschrijding van 32 dagen wordt verschoonbaar geacht omdat de afsluitende brief geen rechtsmiddelenclausule bevatte en de juridische kwalificatie pas later duidelijk werd.

De minister heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en moet opnieuw op het bezwaar beslissen, inclusief de beoordeling van een mogelijke compensatie. De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op het bezwaar opnieuw te behandelen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1512

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats],

hierna: [eiseres]
(gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt),
en

De minister van Financiën,

hierna: de minister
(gemachtigde: mr. drs. M.A.N. van de Kerkhof).

Samenvatting

1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de brief van
6 oktober 2023, waarin [eiseres] heeft verzocht om een herziening van de uitkomsten van de FSV-registratie, ten onrechte niet heeft aangemerkt als een bezwaar gericht tegen de afsluitende brief van 22 juli 2023. [eiseres] krijgt gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft [eiseres] met de brief van 22 juli 2023 laten weten dat zij niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming op grond van de FSV-registratie. In de brief van 6 oktober 2023 heeft [eiseres] de minister verzocht om een herziening van het onderzoek naar de verwerking van haar persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: ‘FSV’). Daarnaast heeft [eiseres] de minister verzocht om aan haar een schadevergoeding toe te kennen voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de registratie van haar persoonsgegevens in de FSV. In het bestreden besluit van 15 april 2025 heeft de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden die de minister hiervoor heeft gegeven is dat het definitieve besluit op het verzoek om schadevergoeding toeziet op een schadeverzoek wegens onrechtmatig bestuurshandelen. Tegen zo'n besluit kan [eiseres] volgens de minister op grond van artikel 7:1 in Pro samenhang met artikel 8:4 lid 1 sub f van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in bezwaar gaan. De minister heeft [eiseres] uitgelegd dat zij zich tot een civiele rechter dient te wenden.
2.1.
Tegen het bestreden besluit heeft [eiseres] beroep ingesteld. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank onbevoegd is om van het schadeverzoek kennis te nemen en uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is om te oordelen over een schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep tegelijk met de procedure onder zaaknummer
ZWO 25/1006 op 9 januari 2026 op zitting behandeld. [eiseres], haar gemachtigde en
[naam 1] en de gemachtigde van de minister en mr. [naam 2] hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat vooraf ging aan de brief van 6 oktober 2023
3. De minister heeft persoonsgegevens van [eiseres] verwerkt in de FSV. [eiseres] heeft zich bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) aangemeld en de minister (Dienst Toeslagen) op verschillende momenten verzocht om inzage in haar persoonsgegevens opgenomen in de FSV. Zij heeft de minister verzocht om duidelijkheid te verschaffen of haar persoonsgegevens met derden zijn gedeeld en zo ja, met welke partijen haar persoonsgegevens zijn gedeeld. Op het inzageverzoek heeft de minister op 11 maart 2022 beslist. [eiseres] heeft daartegen bezwaar en vervolgens beroep ingesteld. Over het beroep over het inzageverzoek doet de rechtbank uitspraak in de procedure met zaaknummer ZWO 25/1006.
3.1.
Met de brief van 22 juli 2023 heeft de minister (de Belastingdienst) [eiseres] op de hoogte gebracht van de uitkomsten van de registratie van haar persoonsgegevens in de FSV. De FSV-registratie heeft volgens de minister niet geleid tot een aangepaste behandeling van de aangiftes of aanvragen die [eiseres] bij de minister heeft gedaan. Ook bleek uit het onderzoek dat de persoonsgegevens in de FSV niet zijn gedeeld met andere organisaties en dat er geen bijzondere persoonsgegevens van [eiseres] in de FSV staan geregistreerd. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiseres] vanwege deze redenen niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming vanuit de FSV.
3.2.
In een brief van de gemeente Enschede (hierna: ‘de gemeente’) van 17 augustus 2023 heeft de gemeente [eiseres] medegedeeld dat er sprake is geweest van een datalek en dat de gemeente niet kan uitsluiten dat bij een inzageverzoek uit juli 2020 ook gegevens van [eiseres] zijn gedeeld. Naar aanleiding van de brieven van 22 juli 2023 en 17 augustus 2023 heeft [eiseres], samen met [naam 1] – medewerker team toeslagenaffaire van de gemeente Enschede – op 23 augustus 2023 een gesprek gevoerd met twee ambtenaren van de minister. Deze twee ambtenaren hebben [eiseres] geadviseerd om bij de minister een schriftelijk schadeverzoek in te dienen. Bij de beoordeling van het schadeverzoek zou er opnieuw onderzoek worden gedaan naar de FSV-registratie en het delen van persoonsgegevens met derden. Hierop heeft [eiseres] op 6 oktober 2023 een schadeverzoek ingediend bij de minister en verzocht om opnieuw het onderzoek en de conclusies over de verwerking van persoonsgegevens in de FSV te beoordelen.
Afsluitende brief 22 juli 2023
4. De rechtbank heeft met partijen op zitting gesproken over de status van de brief van 22 juli 2023. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 18 juni 2025 over dergelijke brieven overwogen dat zij worden aangemerkt als een ‘afsluitende brief’. Het betreft de brief van de minister waarin de betrokkene ervan op de hoogte is gesteld of de FSV-registratie volgens de minister gevolgen heeft gehad voor de betrokkene en of hij al dan niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming op grond van het beleid dat daarvoor is opgesteld. [1] De Afdeling oordeelde – kortgezegd – dat deze afsluitende brief een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [2]
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 22 juli 2023, waarin de minister heeft vastgesteld dat [eiseres] niet in aanmerking komt voor deze financiële tegemoetkoming, kwalificeert als een afsluitende brief. Dit heeft tot gevolg dat deze brief aangemerkt moet worden als een besluit in de zin van de Awb, waartegen bezwaar en beroep kan worden gemaakt. Dit volgt uit artikel 7:1, aanhef en eerste lid in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb.
4.2.
In de brief van 6 oktober 2023 heeft [eiseres] de minister verzocht om een schadevergoeding toe te kennen en opnieuw onderzoek te doen naar de FSV-registratie en de uitkomsten van het delen van haar persoonsgegevens. De brief van 6 oktober 2023 van [eiseres] is een reactie op het besluit van 22 juli 2023 én vormt het resultaat van het gesprek dat op 23 augustus 2023 plaatsvond, zoals onder punt 3.2 is toegelicht. Omdat [eiseres] heeft aangegeven dat zij recht heeft op schadevergoeding en zij het daarom niet eens is met de uitkomsten van de afsluitende brief van 22 juli 2023, moet deze brief naar het oordeel van de rechtbank aangemerkt worden als een bezwaarschrift. De minister heeft dit ten onrechte niet onderkend en het bezwaar niet inhoudelijk in behandeling genomen.
Is het bezwaar verschoonbaar te laat?
5. De rechtbank ziet gelet op 8:41a Awb aanleiding om een oordeel te geven over de ontvankelijkheid van het (te laat) ingediende bezwaarschrift. Immers, indien het bezwaarschrift niet verschoonbaar te laat is ingediend, leidt de conclusie dat de brief van 6 oktober 2023 ten onrechte niet als bezwaarschrift is aangemerkt, niet tot een inhoudelijk andere uitkomst voor [eiseres].
5.1.
Op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, in samenhang met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit aan [eiseres] is toegestuurd. Dit betekent dat de bezwaartermijn op 4 september 2023 [3] eindigde. Het bezwaarschrift van 6 oktober 2023 is daarom buiten de bezwaartermijn ingediend.
5.2.
Volgens artikel 6:11 Awb Pro blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding van 32 dagen in dit geval verschoonbaar moet worden geacht. De rechtbank betrekt hierbij dat de afsluitende brief geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen en het daarom voor [eiseres] niet duidelijk was dat de mogelijkheid bestond om rechtsmiddelen tegen de afsluitende brief in te dienen. Daarbij bestaat pas sinds de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2025 duidelijkheid over de juridische kwalificatie van die brief. Op het moment dat [eiseres] het verzoek om schadevergoeding en een hernieuwd onderzoek indiende, was het voor [eiseres] niet bekend dat dit als een bezwaar had te gelden en zij haar bezwaar te laat heeft ingediend. De rechtbank overweegt dat [eiseres] daarom niet kan worden toegerekend dat zij het bezwaarschrift te laat heeft ingediend. De rechtbank overweegt verder dat [eiseres] het bezwaar ook niet onredelijk laat heeft ingediend omdat zij niet op 6 oktober 2023 – of eerder – kon weten dat de afsluitende brief haar in haar belangen raakt. [4] De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [eiseres], onder de omstandigheden die zich in deze zaak voordoen, heeft verzuimd om tijdig tegen de afsluitende brief bezwaar te maken.
5.4.
Het voorstaande heeft tot gevolg dat de minister op 15 april 2025 het bezwaar van [eiseres] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De minister heeft namelijk niet onderkend dat het bezwaar van [eiseres] gericht is tegen het besluit van 22 juli 2023. De minister zal daarom opnieuw op het bezwaar van [eiseres] moeten beslissen. De minister moet daarbij beoordelen of [eiseres] in aanmerking komt voor een compensatiebedrag gebaseerd op het tegemoetkomingsbeleid van de minister. [5]

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande heeft de minister ten onrechte het bezwaar van [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond. De rechtbank draagt de minister op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
7. Omdat het beroep gegrond is zal de rechtbank de minister veroordelen in de proceskosten van [eiseres]. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1, zaak van gemiddeld gewicht). Ook moet de minister het griffierecht vergoeden dat door [eiseres] is betaald.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 15 april 2025;
- draagt de minister op een nieuwe beslissing op het bezwaar van [eiseres] te nemen met
inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan [eiseres] moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [eiseres].
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De Afdeling van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2730, r.o. 3.
2.De Afdeling van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2730, r.o. 16.
3.Artikel 6:7 Awb Pro jo. artikel 1 Algemene Pro termijnenwet.
4.Ziet het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
5.Zie de Afdeling van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2730.