Beoordeling door de rechtbank
11. De korpschef trekt een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit in als de vergunninghouder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Dit volgt uit de artikelen 5.39, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 8.104, eerste lid, sub c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: het Bkl).
12. Het criterium ‘het niet langer kunnen toevertrouwen van het voorhanden hebben van wapens en munitie’ is verder uitgewerkt in beleidsregels, vastgelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (hierna: de Cwm 2019). Volgens de Cwm 2019 zijn “het niet langer kunnen toevertrouwen” en “vrees voor misbruik” twee verschillende omschrijvingen voor dezelfde situatie. Vrees voor misbruik kan, volgens onderdeel B, paragraaf 1.2 van de Cmw 2019, onder andere blijken uit een veroordeling en andere rechterlijke uitspraken of uit andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
13. Volgens onderdeel B, paragraaf 8 van de Cwm 2019 dient de persoon aan wie een vergunning is verleend tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie – indien de wapens en de bijbehorende munitie thuis voorhanden worden gehouden – er voor te zorgen dat deze worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. De wapens dienen dus gescheiden van de munitie te worden opgeborgen.
14. Uit de Cwm 2019 volgt verder dat iemand die een vergunning heeft om wapens en/of munitie te hebben zich in een uitzonderingspositie bevindt ten opzichte van het algemeen geldende wettelijke verbod om wapens en munitie voorhanden te hebben. Daarom is volgens vaste jurisprudentie geringe twijfel aan het kunnen toevertrouwen van het onder zich hebben van wapens en munitie voldoende grond om een jachtakte of een wapenverlof in te trekken of te weigeren.
15. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij de voorschriften voor het gescheiden houden van wapens en munitie niet heeft overtreden. Daartoe voert hij aan dat er geen echt patroon in het magazijn zat, maar een dummypatroon. Dit gebruikt hij om de slagpen te ontspannen. De aanwezige politieagenten hebben niet goed kunnen vaststellen dat er een patroon aanwezig was in de kamer en/of het magazijn. Zij hadden onvoldoende zicht op wat er gebeurde. Dat blijkt ook uit het proces-verbaal. Op basis hiervan had de korpschef nooit tot de conclusie mogen komen dat wapens en munitie niet gescheiden zijn bewaard en dat aan [eiser] daarom niet langer het voorhanden hebben van wapens en munitie kan worden toevertrouwd. [eiser] stelt zich verder op het standpunt dat er met een waarschuwing volstaan had kunnen worden.
16. De rechtbank overweegt dat naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel af mag gaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
17. In het proces-verbaal is opgenomen dat, toen [eiser] het enkelloops kogelgeweer uit de kluis pakte en ontlaadde, een van de verbalisanten zag dat er iets uit het wapen viel dat leek op een scherp patroon. De tweede verbalisant, die voor de eerste stond en beter zicht had, heeft in het proces-verbaal verklaard dat zij duidelijk zag dat er een huls met kogel, en dus een compleet patroon, uit het wapen viel, dat het magazijn nog in het wapen zat en dat er minimaal nog een patroon in het magazijn zat. Op de vraag wat er uit het geweer viel, antwoordde [eiser] dat het misschien een huls was.
18. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verbalisanten ondubbelzinnig hebben verklaard dat er een patroon uit het geweer is gevallen tijdens de controle en dat er nog een compleet patroon in het magazijn aanwezig was. In tegenstelling tot wat [eiser] beweert, volgt uit het proces-verbaal niet dat de verbalisanten niet goed konden zien wat er gebeurde, of niet zeker wisten wat er uit het geweer viel. [eiser] heeft bovendien tijdens de controle niet verklaard dat hij werkt met dummy’s en dat er daarom een dummy uit het geweer is gevallen. Ook in zijn zienswijze naar aanleiding van het voornemen van de korpschef om de omgevingsvergunning in te trekken, is hij niet consistent in zijn verklaring. Bovendien geeft [eiser] geen verklaring voor de constatering van de verbalisant dat er een tweede patroon in het magazijn aanwezig was.
19. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat uit hetgeen [eiser] aanvoert geen grond bestaat voor zodanige twijfel aan de bevindingen van het proces-verbaal dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. De korpschef had daarom uit mogen gaan van de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal en kunnen constateren dat [eiser] heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in onderdeel B, paragraaf 8 van de Cwm 2019 door de wapens en munitie niet gescheiden van elkaar op te bergen. Op basis hiervan heeft de korpschef tot de conclusie mogen komen dat er reden is om te vrezen van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt, zoals bedoeld in de Cwm 2019. Het niet gescheiden houden van wapens en munitie is geen lichte onregelmatigheid waarbij met een waarschuwing kan worden volstaan. Daarbij is van belang dat [eiser] zich als houder de omgevingsvergunning in een uitzonderingspositie bevindt, nu het voorhanden hebben van wapens en munitie in beginsel verboden is, en dat om die reden stipte naleving van de voorschriften betreffende het opbergen van wapens en munitie mag worden verwacht.
20. De korpschef heeft terecht de omgevingsvergunning ingetrokken.