ECLI:NL:RBOVE:2026:98

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_876
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit na controle door politie

Deze uitspraak betreft de intrekking van de omgevingsvergunning voor jachtgeweeractiviteit van eiser door de korpschef van de politie. De korpschef heeft op 3 juni 2024 besloten de vergunning in te trekken na een controle op 18 april 2024, waarbij geconstateerd werd dat er een patroon uit een kogelgeweer viel. De minister van Justitie en Veiligheid heeft het administratief beroep van eiser ongegrond verklaard. Eiser is het niet eens met deze beslissing en heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiser beoordeeld en geconcludeerd dat de korpschef terecht de vergunning heeft ingetrokken. De rechtbank oordeelt dat er voldoende aanwijzingen zijn dat eiser niet langer te vertrouwen is met het voorhanden hebben van wapens en munitie, en dat de korpschef op basis van de bevindingen in het proces-verbaal van de politie mocht concluderen dat er vrees voor misbruik bestond. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de intrekking van de vergunning blijft staan. Eiser krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/876

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats]

(gemachtigde: mr. J.J. Douwes),
en

de minister van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de korpschef van de politie (hierna: de korpschef) om de omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit van [eiser] in te trekken. Bij besluit van 3 juni 2024 heeft de korpschef hiertoe besloten. De minister heeft het administratief beroep van [eiser] hiertegen ongegrond verklaard. [eiser] is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de korpschef terecht de omgevingsvergunning jachtgeweer activiteit heeft ingetrokken.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef terecht de omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit heeft ingetrokken. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarmee ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. De korpschef van de politie heeft op 21 februari 2024 aan [eiser] een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit (hierna: de omgevingsvergunning) afgegeven voor een dubbelloops hagelgeweer, een enkelloops hagelgeweer en vier enkelloopse kogelgeweren, geldig van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025.
4. Op 18 april 2024 heeft er een controle door de politie plaatsgevonden bij [eiser] als houder van de omgevingsvergunning. Van deze controle is op 23 april 2024 een proces-verbaal op ambtseed opgesteld. Hieruit volgt dat een van de twee verbalisanten heeft gezien dat er bij het ontladen van een enkelloops kogelgeweer een compleet patroon uit het wapen viel en dat het magazijn nog in het wapen zat.
5. Omdat de korpschef op grond van de huiscontrole van mening was dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan [eiser] kon worden toevertrouwd, heeft hij op 22 april 2024 het voornemen aan [eiser] bekend gemaakt om de omgevingsvergunning in te trekken.
6. [eiser] heeft op het voornemen gereageerd met een zienswijze.
7. De korpschef heeft naar aanleiding van de zienswijze geen aanleiding gezien om af te zien van zijn voornemen en heeft vervolgens bij besluit van 3 juni 2024 de omgevingsvergunning ingetrokken.
8. Het door [eiser] ingediende administratief beroep heeft de minister op 21 januari 2025 ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
9. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
10. De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het juridisch kader
11. De korpschef trekt een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit in als de vergunninghouder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Dit volgt uit de artikelen 5.39, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 8.104, eerste lid, sub c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: het Bkl).
12. Het criterium ‘het niet langer kunnen toevertrouwen van het voorhanden hebben van wapens en munitie’ is verder uitgewerkt in beleidsregels, vastgelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (hierna: de Cwm 2019). Volgens de Cwm 2019 zijn “het niet langer kunnen toevertrouwen” en “vrees voor misbruik” twee verschillende omschrijvingen voor dezelfde situatie. Vrees voor misbruik kan, volgens onderdeel B, paragraaf 1.2 van de Cmw 2019, onder andere blijken uit een veroordeling en andere rechterlijke uitspraken of uit andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
13. Volgens onderdeel B, paragraaf 8 van de Cwm 2019 dient de persoon aan wie een vergunning is verleend tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie – indien de wapens en de bijbehorende munitie thuis voorhanden worden gehouden – er voor te zorgen dat deze worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. De wapens dienen dus gescheiden van de munitie te worden opgeborgen.
14. Uit de Cwm 2019 volgt verder dat iemand die een vergunning heeft om wapens en/of munitie te hebben zich in een uitzonderingspositie bevindt ten opzichte van het algemeen geldende wettelijke verbod om wapens en munitie voorhanden te hebben. Daarom is volgens vaste jurisprudentie geringe twijfel aan het kunnen toevertrouwen van het onder zich hebben van wapens en munitie voldoende grond om een jachtakte of een wapenverlof in te trekken of te weigeren. [1]
Het beroep
15. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij de voorschriften voor het gescheiden houden van wapens en munitie niet heeft overtreden. Daartoe voert hij aan dat er geen echt patroon in het magazijn zat, maar een dummypatroon. Dit gebruikt hij om de slagpen te ontspannen. De aanwezige politieagenten hebben niet goed kunnen vaststellen dat er een patroon aanwezig was in de kamer en/of het magazijn. Zij hadden onvoldoende zicht op wat er gebeurde. Dat blijkt ook uit het proces-verbaal. Op basis hiervan had de korpschef nooit tot de conclusie mogen komen dat wapens en munitie niet gescheiden zijn bewaard en dat aan [eiser] daarom niet langer het voorhanden hebben van wapens en munitie kan worden toevertrouwd. [eiser] stelt zich verder op het standpunt dat er met een waarschuwing volstaan had kunnen worden.
De beoordeling
16. De rechtbank overweegt dat naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel af mag gaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [2]
17. In het proces-verbaal is opgenomen dat, toen [eiser] het enkelloops kogelgeweer uit de kluis pakte en ontlaadde, een van de verbalisanten zag dat er iets uit het wapen viel dat leek op een scherp patroon. De tweede verbalisant, die voor de eerste stond en beter zicht had, heeft in het proces-verbaal verklaard dat zij duidelijk zag dat er een huls met kogel, en dus een compleet patroon, uit het wapen viel, dat het magazijn nog in het wapen zat en dat er minimaal nog een patroon in het magazijn zat. Op de vraag wat er uit het geweer viel, antwoordde [eiser] dat het misschien een huls was.
18. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verbalisanten ondubbelzinnig hebben verklaard dat er een patroon uit het geweer is gevallen tijdens de controle en dat er nog een compleet patroon in het magazijn aanwezig was. In tegenstelling tot wat [eiser] beweert, volgt uit het proces-verbaal niet dat de verbalisanten niet goed konden zien wat er gebeurde, of niet zeker wisten wat er uit het geweer viel. [eiser] heeft bovendien tijdens de controle niet verklaard dat hij werkt met dummy’s en dat er daarom een dummy uit het geweer is gevallen. Ook in zijn zienswijze naar aanleiding van het voornemen van de korpschef om de omgevingsvergunning in te trekken, is hij niet consistent in zijn verklaring. Bovendien geeft [eiser] geen verklaring voor de constatering van de verbalisant dat er een tweede patroon in het magazijn aanwezig was.
19. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat uit hetgeen [eiser] aanvoert geen grond bestaat voor zodanige twijfel aan de bevindingen van het proces-verbaal dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. De korpschef had daarom uit mogen gaan van de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal en kunnen constateren dat [eiser] heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in onderdeel B, paragraaf 8 van de Cwm 2019 door de wapens en munitie niet gescheiden van elkaar op te bergen. Op basis hiervan heeft de korpschef tot de conclusie mogen komen dat er reden is om te vrezen van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt, zoals bedoeld in de Cwm 2019. Het niet gescheiden houden van wapens en munitie is geen lichte onregelmatigheid waarbij met een waarschuwing kan worden volstaan. Daarbij is van belang dat [eiser] zich als houder de omgevingsvergunning in een uitzonderingspositie bevindt, nu het voorhanden hebben van wapens en munitie in beginsel verboden is, en dat om die reden stipte naleving van de voorschriften betreffende het opbergen van wapens en munitie mag worden verwacht.
20. De korpschef heeft terecht de omgevingsvergunning ingetrokken.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de korpschef terecht de omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit heeft ingetrokken. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
De rechter is buiten staat de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:219.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2826.