ECLI:NL:RVS:2021:219
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering wapenverlof wegens vrees voor misbruik ondanks sepot
Appellant had sinds 2014 een wapenverlof voor schietsport, dat in 2015 werd ingetrokken wegens verdenking van betrokkenheid bij hennepteelt. Na meerdere aanvragen en rechtsmiddelen werd zijn aanvraag in 2019 opnieuw geweigerd door de korpschef en bevestigd door de minister en rechtbank. De weigering is gebaseerd op aanwijzingen van betrokkenheid bij drugshandel en criminele activiteiten, ondanks een voorwaardelijke sepot in 2018 met een proeftijd van twee jaar.
Appellant voerde aan dat onvoldoende bewijs bestaat voor de weigering en dat de terugkijktermijn van acht jaar niet van toepassing is bij een sepot. Ook stelde hij dat zijn toelating tot de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie een positief teken is. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat geringe twijfel voldoende is voor weigering en dat de sepot met proeftijd nog niet was verstreken, waardoor de vrees voor misbruik terecht werd aangenomen.
De Afdeling verwierp het beroep van appellant, oordeelde dat de terugkijktermijn analoog wordt toegepast en dat de toelating tot de KNSA niet doorslaggevend is. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering van het wapenverlof wordt bevestigd.