ECLI:NL:RBROE:2007:BB3532
Rechtbank Roermond
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.C.G. Brants
- Rechtspraak.nl
Schorsing van het recht op omgang tussen vader en minderjarige kinderen wegens onwil en onrust
De moeder heeft bij de rechtbank Roermond verzocht om schorsing van de omgangsregeling tussen de vader en hun minderjarige kinderen, vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Maastricht in 2002. De omgangsregeling was eerder al geschorst voor een jaar in 2006. De kinderen staan onder toezicht van Bureau Jeugdzorg, en de moeder stelt dat het contact met de vader niet in het belang van de kinderen is vanwege agressief gedrag van de vader en de wens van de kinderen zelf.
Tijdens de zitting, waarbij de vader niet verscheen, gaf de gezinsvoogd aan dat de ouders onvoldoende bereid zijn hun conflicten op te lossen, wat leidt tot onrust en angst bij de kinderen. De kinderen, inmiddels van twaalf en veertien jaar, hebben expliciet aangegeven geen contact met hun vader te willen. De rechtbank neemt de mening van de kinderen zwaar mee.
Op grond van artikel 1:377e en 1:253a van het Burgerlijk Wetboek en jurisprudentie van de Hoge Raad, oordeelt de rechtbank dat de omgangsregeling geschorst wordt voor de duur van de minderjarigheid van de kinderen. De schorsing kan alleen worden opgeheven als de kinderen zelf aangeven contact te willen of als de omstandigheden zodanig wijzigen dat omgang weer mogelijk is. De ouders worden aangemoedigd om met hulp van Bureau Jeugdzorg de situatie te verbeteren.
Uitkomst: De rechtbank schorst het recht op omgang van de vader met de minderjarige kinderen voor de duur van hun minderjarigheid.