ECLI:NL:RBROT:2007:BB6077

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
255622 / HA ZA 06-489
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 lid 1 sub c BWArt. 1:88 lid 5 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging borgtochtovereenkomsten wegens ontbreken toestemming echtgenote

In deze civiele zaak stond centraal of de borgtochtovereenkomsten die [gedaagde] met de Rabobank was aangegaan rechtsgeldig waren, nu hij deze zonder toestemming van zijn echtgenote had gesloten. De Rabobank stelde dat de borgstellingen waren aangegaan ter zekerheid van een krediet dat onontbeerlijk was voor de normale bedrijfsuitoefening van Pits B.V.

De rechtbank stelde vast dat de Rabobank onvoldoende concreet had gemaakt dat het krediet daadwerkelijk ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening was, mede gezien de ruime formulering van de borgstellingen die ook toekomstige kredieten omvatten. Hierdoor kon niet worden aangenomen dat de uitzondering van artikel 1:88 lid 5 BW Pro van toepassing was.

Omdat de hoofdregel van artikel 1:88 lid 1 sub c BW Pro geldt, was toestemming van de echtgenote vereist. Deze toestemming ontbrak en de echtgenote had rechtsgeldig de vernietiging van de borgtochtovereenkomsten ingeroepen. De Rabobank kon haar vordering daarom niet baseren op deze borgtochtovereenkomsten en de rechtbank wees de vordering af.

De Rabobank werd veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde]. De overige verweren van [gedaagde] bleven onbesproken.

Uitkomst: De vordering van de Rabobank wordt afgewezen wegens ontbreken van toestemming echtgenote voor de borgtochtovereenkomsten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 255622 / HA ZA 06-489
Uitspraak: 26 september 2007
VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:
de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK
HOEKSCHE WAARD U.A.,
gevestigd te Puttershoek, gemeente Binnenmaas,
eiseres,
procureur mr. H.E. Schweers,
advocaat mr. B.G. van Twist te ‘s-Gravendeel,
- tegen -
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
procureur mr. M.C.V. Dornstedt.
Partijen blijven verder aangeduid als "de Rabobank" respectievelijk "[gedaagde]".
1. Het verdere verloop van het geding
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 17 januari 2007 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- de door partijen genomen akten.
2. De verdere beoordeling
2.1
Bij voormeld vonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld inlichtingen te verstrekken omtrent de vraag voor welke rechtshandelingen, in het licht van de tekst van de borgtochtovereenkomsten, de borgstellingen destijds precies zijn aangegaan, nu zulks tot aan dat moment geen onderwerp van debat tussen partijen was geweest. Tevens dienden partijen aan te geven op welke wijze zij de gestelde feiten en omstandigheden kunnen bewijzen.
2.2
De Rabobank heeft het volgende aangevoerd.
De borgtochtovereenkomst van 29 december 1997 is aangegaan in verband met de verstrekking van een destijds nieuw te verstrekken krediet in rekening courant met nummer 3320.15.734, zoals ook genoemd in de dagvaarding, van € 204.201,=.
De borgtochtovereenkomst van 13 april 2000 is aangegaan in verband met de verhoging van ditzelfde krediet tot kennelijk - zo leidt de rechtbank af uit de bij de akte gevoegde productie 8 - fl. 250.000,= (€ 113.445,05).
Het krediet betreft een normaal bankkrediet, welk krediet onontbeerlijk voor het ondernemen was, waarbij de gebruikelijke extra zekerheid werd verlangd. De rekening-courant is derhalve aangegaan ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening, nu het krediet nodig was voor het op goede wijze kunnen ondernemen, aldus de Rabobank.
2.3
In reactie op hetgeen door de Rabobank is aangevoerd heeft [gedaagde] betwist dat het krediet ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening was en gesteld dat het krediet en de daarmee verbonden borgstellingen bedoeld was om vorm te geven aan de herstructurering van de verschillende Pits B.V.’s (uitbreiding aandelen kapitaal, oprichting Administratiekantoor, oprichten vennootschappen, overdragen aandelen). Daarnaast is door [gedaagde] gesteld dat er door de Rabobank slechts is herhaald wat reeds eerder was aangevoerd.
2.4
De rechtbank stelt vast dat de Rabobank heeft aangevoerd dat de rechtshandeling(en) waarvoor [gedaagde] zich borg heeft gesteld het aangaan van een bedrijfskrediet en de uitbreiding daarvan was, dat dit hetzelfde bedrijfskrediet is als waarnaar eerder in de procedure is verwezen (en terzake waarvan thans de borg wordt aangesproken) en dat dit krediet onontbeerlijk was voor het ondernemen.
Zoals reeds overwogen in het tussenvonnis van 17 januari 2007 is het slechts in algemene bewoordingen stellen dat het om een bankkrediet gaat en dat verkrijging daarvan in het algemeen onontbeerlijk is voor het ondernemen, onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat de borgtochtovereenkomsten op het moment van het sluiten daarvan dus ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van Pits B.V. zijn aangegaan. Hierbij is nog overwogen dat dit met name geldt, gelet op de zeer ruime en algemeen omschreven borgstellingen, die, taalkundig gezien, niet specifiek aan een bepaalde schuld zijn gekoppeld, maar aan werkelijk alle vorderingen die de Rabobank op Pits B.V. had of ooit zou krijgen, ongeacht de grondslag van de vordering. In dat licht bezien heeft [gedaagde] zich namelijk ook borg gesteld voor eventuele kredieten in de toekomst waarvan op dat moment geenszins vaststond dat het om de normale bedrijfsuitoefening zou gaan. Omtrent dit laatste punt heeft de Rabobank niets gesteld noch daaraan uitleg gegeven.
2.5
Nu de Rabobank in het licht van het bovenstaande geen andere dan wel nieuwe feiten en/of omstandigheden heeft gesteld die maken dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de borgtochtovereenkomsten op het moment van het sluiten daarvan wel ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van Pits B.V. zijn aangegaan, komt de rechtbank reeds om die reden niet aan bewijslevering op dat punt toe. Er moet in de onderhavige procedure dan ook van worden uitgegaan dat de uitzondering zoals bedoeld in artikel 1:88 lid 5 BW Pro niet aan de orde is en de hoofdregel van artikel 1:88 lid 1 sub c BW Pro geldt dat [gedaagde] de toestemming van zijn echtgenote behoefde voor het aangaan van de borgtochtovereenkomst.
Nu tussen partijen vaststaat dat deze toestemming niet is verleend en de echtgenote vervolgens rechtsgeldig de vernietiging van de borgtochtovereenkomsten heeft ingeroepen, kan de Rabobank haar vordering niet op deze borgtochtovereenkomsten gronden. Dit betekent dat de vordering van de Rabobank dient te worden afgewezen. De overige verweren van [gedaagde] kunnen daarmee onbesproken blijven.
2.6
De Rabobank zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van [gedaagde].
3. De beslissing
De rechtbank,
wijst af de vordering van de Rabobank;
veroordeelt de Rabobank in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 780,= aan vast recht en op € 1.447,50 aan salaris voor de procureur;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Verkerk.
Uitgesproken in het openbaar.
544/1694