ECLI:NL:RBROT:2008:BG0948
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke vernietiging boetebesluit bouwfraude GWW-sector wegens disproportionele boetegrondslag
In deze bestuursrechtelijke procedure staat een boetebesluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) centraal, waarin T.G. van Oord Holding B.V. een boete is opgelegd wegens overtreding van artikel 6 van Pro de Mededingingswet en artikel 81 van Pro het EG-Verdrag in de grond-, weg- en waterbouwsector (GWW). Het besluit is genomen in het kader van de bouwfraudeonderzoeken naar illegale prijsafspraken en kartelvorming.
De rechtbank oordeelt dat het beroep van Martens en Van Oord Aannemingsbedrijf B.V. niet-ontvankelijk is omdat zij geen bezwaar tegen het primaire besluit hebben gemaakt. Het beroep van T.G. van Oord Holding B.V. wordt wel ontvankelijk verklaard en gegrond bevonden. De rechtbank stelt vast dat de keuze van verweerder voor de aanbestedingsomzet 2001 als boetegrondslag niet onredelijk is, maar dat de toepassing van proportionele consolidatie van combinatieomzet niet consequent is toegepast, waardoor de boete disproportioneel hoog uitvalt ten opzichte van andere ondernemingen.
Verder oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel vernietigd moet worden. De rechtbank wijst erop dat verweerder een nieuwe beslissing moet nemen waarbij controleerbare en verifieerbare gegevens moeten worden betrokken. De rechtbank overweegt tevens dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro nog niet was verstreken gezien de complexiteit en omvang van de zaak. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van T.G. van Oord Holding B.V. is gegrond verklaard en het boetebesluit vernietigd wegens disproportionele boetegrondslag en strijd met het motiveringsbeginsel.