ECLI:NL:RBROT:2008:BD7003
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toerekening van boete aan moedermaatschappij voor overtreding kartelverbod door dochtermaatschappij
De zaak betreft een boeteoplegging door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA) aan een moedermaatschappij en haar dochtermaatschappij wegens overtreding van het kartelverbod in de bouwsector in de periode 1998-2001. De moedermaatschappij was houdster van 100% van de aandelen in de dochtermaatschappij en werd mede aansprakelijk gesteld voor een deel van de boete.
Eiseres betwistte de feitelijke zeggenschap en voerde aan dat het enkele aandeelhouderschap onvoldoende is voor toerekening van de overtreding. Zij stelde dat verweerder het vermoeden van zeggenschap niet had onderbouwd met bijkomende omstandigheden en dat er geen wettelijke basis is voor mede-aansprakelijkheid. Tevens werd een schending van de redelijke termijn aangevoerd.
De rechtbank oordeelde dat op grond van Europese jurisprudentie het vermoeden van feitelijke zeggenschap bij 100% aandeelhouderschap geldt, tenzij dit overtuigend wordt weerlegd. Eiseres slaagde hier niet in, mede door statutaire bepalingen die goedkeuring van de moedermaatschappij vereisten en feitelijke beïnvloeding van de dochtermaatschappij. De redelijke termijn was niet overschreden vanwege de verwevenheid met andere beboetbare feiten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiseres voor een deel van de boete. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij voor een deel van de boete.