ECLI:NL:RBROT:2009:BH5975
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verjaring en bewijsstuiting bij vordering uit kredietovereenkomst
Op 21 november 1990 sloten de gedaagden een doorlopend kredietovereenkomst met Direktbank. De kredietvergoeding bedroeg 1,145% per maand en de gedaagden zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schuld. Na achterstallige betalingen en diverse aanmaningen stelde Direktbank de vordering ineens opeisbaar per 11 april 1993.
De gedaagden betwistten de vordering onder meer wegens verjaring en onduidelijkheid over de hoogte van de schuld. De rechtbank stelt vast dat de verjaringstermijn van vijf jaar geldt vanaf opeisbaarheid en dat stuitingshandelingen nodig zijn vanwege het lange tijdsverloop.
Direktbank bracht meerdere aanmaningsbrieven en contactmomenten met de gedaagden in, stellende dat daarmee de verjaring steeds tijdig is gestuit. De gedaagden betwisten ontvangst van de brieven. De rechtbank bepaalt dat Direktbank bewijs moet leveren dat de verjaring daadwerkelijk is gestuit door schriftelijke aanmaningen of erkenning.
Indien Direktbank hierin slaagt, is de vordering toewijsbaar; anders wordt deze afgewezen. De rechtbank acht de betwisting van de hoogte van de vordering onvoldoende gemotiveerd en acht het niet onaanvaardbaar dat Direktbank pas na 16 jaar procedeert gezien de omstandigheden. De bewijslevering wordt aangehouden en getuigen zullen worden gehoord.
Uitkomst: Bewijslevering over stuiting van verjaring wordt opgelegd, verdere beslissing aangehouden.