ECLI:NL:RBROT:2010:BT1894

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
1143487
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:685 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding en vergoeding

De zaak betreft een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen verzoekers en verweerster, waarbij onenigheid bestaat over de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst en de uitvoering daarvan. Verzoekers stellen dat de arbeidsovereenkomst per 22 maart 2010 is ingegaan en dat verweerster niet is komen opdagen, terwijl verweerster betwist dat de arbeidsovereenkomst pas toen begon en stelt dat deze per 1 december 2009 is aangegaan. Tevens maakt zij aanspraak op een vergoeding wegens het niet ontvangen van een schriftelijke arbeidsovereenkomst en het niet uitbetalen van loon en pensioen.

De kantonrechter stelt vast dat, indien er al een arbeidsovereenkomst is gesloten, deze per 1 december 2009 is ingegaan. Verzoekers hebben pas in maart 2010 een schriftelijke arbeidsovereenkomst aangeboden met een latere ingangsdatum, wat heeft geleid tot verstoring van de arbeidsverhouding. De verhouding is zodanig geëscaleerd dat verdere samenwerking onmogelijk is, waardoor ontbinding gerechtvaardigd is.

De kantonrechter wijst een vergoeding toe aan verweerster ter hoogte van €2.775 bruto, gebaseerd op de kantonrechtersformule met factor c=2, omdat verzoekers door hun handelen de verstoring hebben veroorzaakt. De proceskosten worden ieder door eigen partij gedragen. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 16 november 2010.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 16 november 2010 en verweerster ontvangt een bruto vergoeding van €2.775.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector kanton
Locatie Rotterdam
beschikking ex artikel 7:685 van Pro het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van
1. [verzoekster sub 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [verzoeker sub 2], vennoot,
wonende te [woonplaats],
3. [verzoeker sub 3], vennoot
wonende te [woonplaats],
verzoekers,
gemachtigde: mr. R.A. van Winden.
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster,
gemachtigde: mr. E.H.P. Dingenouts,
Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoekers]” voor verzoekers gezamenlijk en “[verzoekster sub 1]”, “[verzoeker sub 2]” en “[verzoeker sub 3]” voor verzoekers afzonderlijk en “[verweerster]”.
1. Het verloop van de procedure
- het voorwaardelijk verzoekschrift, met 6 producties, ontvangen op 15 juli 2010;
- het verweerschrift;
- de stukken en producties die door partijen in de zaak onder nummer 1132283 CV EXPL 10-39773 in het geding zijn gebracht, zoals die vermeld zijn in het vonnis van heden in die zaak.
- Het proces-verbaal van de zitting van 13 september 2010, waar gelijktijd een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden in de zaak onder nummer 1132283 CV EXPL 10-39773.
2. Het verzoek en de grondslag daarvan
2.1 Het verzoek strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze (nog) mocht blijken te bestaan, wegens gewichtige redenen bestaande uit veranderingen van omstandigheden met toekenning van een vergoeding ten laste van [verweerster] aan [verzoekers] met veroordeling van [verweerster] in de kosten van het geding.
2.2 [verzoekers] voeren daartoe aan dat tussen partijen hoogstens een arbeidsovereenkomst is ontstaan per 22 maart 2010, maar dat [verweerster] toen zonder geldige reden niet is komen opdagen. Voor zover er al een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, heeft [verweerster] in dat verband nimmer werkzaamheden verricht. Door de
per 22 maart 2010 overeengekomen werkzaamheden niet te gaan verrichten, moesten [verzoekers] op korte termijn op zoek gaan naar een vervangster. Voorts is [verweerster] in gebreke gebleven bij het aannemen van personeel en het begeleiden van stagiaires, waardoor [verzoekers] een slechte naam hebben gekregen. Ook heeft zij zich onrechtmatig stukken toegeëigend en [verzoekers] valselijk beschuldigd. Daardoor hebben [verzoekers] geen vertrouwen meer in [verweerster]. [verweerster] heeft deze vertrouwensbreuk geheel en al veroorzaakt, zodat [verzoekers] aanspraak maken op een vergoeding te betalen door [verweerster].
3. Het verweer
3.1[verweerster] betwist niet dat de verhouding tussen partijen zodanig is verstoord dat verdere samenwerking niet meer mogelijk is, maar voert als verweer aan, dat dit geheel aan [verzoekers] te wijten is. [verweerster] maakt aanspraak op een vergoeding van
€ 4.167,02, uitgaande van C=3.
3.2 Zij voert daartoe aan, dat tussen partijen niet per 22 maart 2010, maar per 1 december 2009 een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Zij verwijst daarvoor naar de stukken en stellingen in de zaak met nr. 1132283 CV EXPL 10-39773. [verweerster] is per 1 december 2009 bij [verzoekers] in dienst getreden om een kinderdagverblijf op te zetten. Ondanks herhaaldelijke verzoeken hebben [verzoekers] [verweerster] geen schriftelijke arbeidsovereenkomst willen geven en, behoudens voorschotten, geen loon uitbetaald en niet aan haar (pensioen) verplichtingen jegens [verweerster] voldaan. [verweerster] is vanaf eind maart 2010 tot heden niet meer opgeroepen voor arbeid. [verzoekers] hebben op vele momenten onzorgvuldig gehandeld tegenover [verweerster]. Gezien de bijzondere aard en hoge mate van verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoekers], als ook de korte arbeidsduur en de omstandigheid dat [verweerster] geen zicht heeft op een andere dienstbetrekking, acht [verweerster] een vergoeding op basis van factor C=3 gerechtvaardigd.
4. De beoordeling
4.1 Partijen hebben medegedeeld dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met een opzegverbod en er is geen aanleiding aan de juistheid van die mededeling te twijfelen.
4.2 Vast staat dat – voor zover er nog een arbeidsovereenkomst tussen partijen mocht blijken te bestaan – deze zo spoedig mogelijk moet eindigen nu de verhouding tussen partijen zodanig is geëscaleerd, dat er geen samenwerking meer mogelijk is.
De kantonrechter zal daarom de arbeidsovereenkomst, indien en voor zover deze nog mocht blijken te bestaan, wegens verandering van omstandigheden met ingang van 16 november 2010 ontbinden.
4.3. Met betrekking tot de vraag of aan een van de partijen met het oog op de omstandigheden van het geval een vergoeding ten laste van de wederpartij toekomt en zo ja, hoe hoog die vergoeding moet zijn, acht de kantonrechter de volgende omstandigheden van belang.
4.4 Verzoekers hebben aan het verzoekschrift ten grondslag gelegd dat er hoogstens een arbeidsovereenkomst per 22 maart 2010 dan wel 1 april 2010 is ontstaan en dat het aan [verweerster] te wijten is dat aan die arbeidsovereenkomst geen verdere uitvoering is gegeven.
Daartegen heeft [verweerster] uitvoerig en gemotiveerd verweer gevoerd. Op grond van al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, acht de kantonrechter aannemelijk dat er per 1 december 2009 een arbeidsovereenkomst tussen partijen is gaan gelden. De kantonrechter verwijst voor de motivering van dat oordeel naar hetgeen in dat verband in het vonnis van heden in de procedure onder nr. 1132283 CV EXPL 10-39773 is overwogen. Deze overwegingen worden als hier ingelast beschouwd.
Daarvan uitgaande is de kantonrechter van oordeel dat [verzoekers] door pas in maart 2010 een arbeidsovereenkomst aan te bieden met als ingangsdatum 22 maart of 1 april 2010 de verstoring van de arbeidsverhouding heeft veroorzaakt.
Dat deze daarna zodanig verstoord is dat iedere oplossing onmogelijk werd, acht de kantonrechter met name veroorzaakt door de onwrikbare houding van [verzoekers], hoewel [verweerster] door alle klanten en relaties van [verzoekster sub 1] bij haar juridische strijd te betrekken daaraan zeker ook een bijdrage heeft geleverd.
4.5 Op grond van voorgaande overwegingen acht de kantonrechter het billijk een vergoeding vast te stellen ten laste van [verzoekers], waarbij uitgegaan wordt van de lezing van [verweerster]. Voor een extra verhoging van de vergoeding vanwege de arbeidsmarktpositie van [verweerster] ziet de kantonrechter geen grond. Niet onderbouwd is dat het vinden van werk in de kinderopvang extra moeilijk is. [verweerster] heeft kennelijk ook voor 1 december 2009 een dergelijke functie kunnen verwerven.
Alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen acht de kantonrechter een vergoeding overeenkomstig de kantonrechtersformule op basis van c=2 billijk, waarbij uitgegaan zal worden van het door [verweerster] aangevoerde Cao-loon, nu daar door [verzoekers] geen andere loongegevens tegenover zijn gesteld.
De vergoeding wordt dan bepaald op afgerond € 2.775,00 bruto.
4.6 Indien alsnog mocht blijken dat er per 1 december 2009 geen arbeidsovereenkomst tussen partijen is gaan gelden, overweegt de kantonrechter het volgende. Indien al sprake was van een bedoeling van partijen een voorwaardelijke arbeidsovereenkomst aan te gaan, die pas zou ingaan zodra het kinderdagverblijf zou starten, dan had de datum van ingang vooraf duidelijk bepaald en overeengekomen moeten zijn. Vast staat dat daarvan geen sprake is. Een schriftelijk contract ontbreekt, terwijl uit de stukken blijkt dat de officiële datum van de start van het kinderdagverblijf verschillende malen is uitgesteld in de periode van 1 december 2009 tot 22 maart 2010. Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat door de start van het kinderdagverblijf de voorwaarde zonder nadere overeenstemming tussen partijen in werking is getreden en aldus een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Het stond [verweerster] naar het oordeel van de kantonrechter vrij om onder die omstandigheden het aanbod van [verzoekers] ergens in maart 2010 af te wijzen, hetgeen zij blijkens haar stellingen in de procedure onder nr. 1132283 CV EXPL 10-39773 ook heeft gedaan. Er is dan geen arbeidsovereenkomst tot stand gekomen, zodat de onderhavige beschikking haar voorwaardelijk karakter behoudt. Voor het toekennen van een vergoeding ten laste van [verweerster] op grond van artikel 7:685 BW Pro bestaat dan geen grondslag.
4.7 Nu [verzoekers] geen vergoeding hebben aangeboden, zal hen een termijn geboden worden om het verzoek op de hieronder vermelde wijze in te trekken.
4.8 Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze.
De beslissing
De kantonrechter:
stelt [verzoekers] in de gelegenheid het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op 8 november 2010 te 12.00 uur ter griffie te ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;
en voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen - indien en voor zover deze nog mocht blijken te bestaan - met ingang van 16 november 2010;
kent aan [verweerster] ten laste van [verzoekers] een vergoeding toe van € 2.775,00 bruto en veroordeelt [verzoekers] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, deze vergoeding aan [verweerster] te betalen;
en in beide gevallen:
bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten van deze procedure draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.F.A. van Buitenen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.