ECLI:NL:RBROT:2011:BS1689
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid werknemer in ontbindingsverzoek na rechtsgeldige opzegging arbeidsovereenkomst
Een werknemer met de ziekte van Pan verzoekt de kantonrechter om ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met toekenning van een vergoeding, stellende dat de werkgever misbruik van recht heeft gemaakt door opzegging tijdens onderhandelingen. De werkgever had een ontslagvergunning van het UWV gekregen en had de arbeidsovereenkomst opgezegd wegens reorganisatie.
De kantonrechter neemt kennis van het verzoek, het verweerschrift en de processtukken. De arbeidsovereenkomst is volgens de werkgever rechtsgeldig beëindigd per 1 december 2010 na toestemming van het UWV. De werknemer stelt dat de opzegging misbruik van recht is en dat de arbeidsovereenkomst daarom niet is geëindigd.
De kantonrechter oordeelt dat de opzegging rechtsgeldig is en dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De stelling van misbruik van recht wordt verworpen omdat de situatie niet vergelijkbaar is met jurisprudentie waarin opzeggingen werden gebruikt om ontbindingsprocedures te frustreren. De werknemer is daarom niet ontvankelijk in zijn verzoek tot ontbinding.
De kantonrechter wijst het verzoek af en veroordeelt de werknemer in de proceskosten. De arbeidsovereenkomst is per 1 december 2010 geëindigd en ontbinding is niet meer aan de orde.
Uitkomst: Werknemer is niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot ontbinding omdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig per 1 december 2010 is geëindigd.