ECLI:NL:RBROT:2012:BW0869
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid en bevoegdheid civiele rechter bij geschil over Premium Transit- en MTA-tarieven tussen KPN en Vodafone
Tussen KPN en Vodafone ontstond een geschil over de tarieven die KPN aan Vodafone in rekening bracht voor de Premium Transitdienst in de periode 1 december 2006 tot 15 augustus 2007, met name over het onderdeel MTA-tarieven van Telfort, een dochteronderneming van KPN. Vodafone diende een aanvraag tot geschilbeslechting in bij OPTA, die op 21 januari 2010 een besluit nam waarin het MTA-tarief van Telfort werd vastgesteld.
KPN stelde bij de civiele rechter vorderingen tot verklaring voor recht dat er overeenkomsten waren gesloten over de tarieven, maar Vodafone betoogde dat de civiele rechter niet ontvankelijk was omdat het geschil reeds aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) was voorgelegd, een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang. De rechtbank oordeelde dat het CBb de kern van het geschil zal beoordelen en dat KPN onvoldoende belang heeft bij de civiele procedure.
De rechtbank benadrukte dat het bestuursrechtelijke geschil zich richt op het MTA-tarief, dat geen onderwerp is van de modelovereenkomst tussen KPN en Vodafone over de Premium Transitdienst. De civiele rechter dient zich te onthouden van inhoudelijke beoordeling zolang het CBb het geschil behandelt. Daarom verklaarde de rechtbank KPN niet ontvankelijk in haar primaire en subsidiaire vorderingen en veroordeelde KPN in de proceskosten.
Uitkomst: KPN wordt niet ontvankelijk verklaard in haar vorderingen wegens het bestaan van een bestuursrechtelijke rechtsgang bij het CBb.