ECLI:NL:RBROT:2012:BW8951
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Uitspraak over uitstoting en aansprakelijkheid bij mislukte joint venture SEQ Nederland
De rechtbank Rotterdam heeft op 13 juni 2012 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen SEQ International c.s. en Eneco c.s. over het vastlopen van de samenwerking binnen SEQ Nederland, een joint venture gericht op de ontwikkeling van innovatieve CO2-neutrale energieprojecten. SEQ International vordert onder meer de uitstoting van Eneco als aandeelhouder en schadevergoeding wegens het eenzijdig staken van de bedrijfsvoering.
De procedure omvat twee zaken die zijn samengevoegd: een uitstotingszaak ex artikel 2:336 BW Pro en een aansprakelijkheidszaak. SEQ International verwijt Eneco onder meer dat zij de uitvoering van het businessplan heeft geblokkeerd, het projectmandaat ZEPP02 onterecht heeft stopgezet en de inschrijving op een Staatsopdracht heeft verhinderd. Eneco stelt dat de technologie niet haalbaar bleek binnen de financiële kaders en dat de verdere projectvoering is gestaakt met instemming van SEQ International.
De rechtbank analyseert uitgebreid het wettelijke kader van de uitstotingsprocedure, het belang van SEQ International bij haar vordering, de feitelijke gang van zaken rond het projectmandaat ZEPP02, en de communicatie tussen partijen en derden. Tevens wordt ingegaan op de vraag of Eneco onrechtmatig heeft gehandeld jegens SEQ International en gelieerde partijen, en of sprake is van schending van het concurrentiebeding. De rechtbank overweegt onder meer dat de beslissing tot het staken van de activiteiten op 28 januari 2008 voorshands bewezen is en dat Eneco gerechtigd was om om onderbouwing van financieringsaanvragen te vragen.
De rechtbank wijst het verzoek van SEQ International tot uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de uitstotingsvordering af en oordeelt dat de reconventionele vordering van Eneco niet ontvankelijk is. De beoordeling van de schadevorderingen en verdere beslissingen worden aangehouden. Het vonnis bevat een gedetailleerde feitelijke en juridische analyse van de mislukking van de samenwerking en de rol van beide partijen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraad af, verklaart de reconventionele vordering niet-ontvankelijk en houdt de beoordeling van schadevorderingen aan.