ECLI:NL:RBROT:2013:7894
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vluchtannulering United Airlines: handhaving compensatieplicht op grond van Verordening EG 261/2004
Eiser verzocht de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu om handhavend op te treden tegen United Airlines wegens het niet betalen van compensatie voor een geannuleerde vlucht op 5 januari 2012. Verweerder wees dit verzoek af, stellende dat de annulering het gevolg was van een buitengewone omstandigheid, namelijk een defect aan de linkermotor dat na vrijgave van het toestel werd vastgesteld.
De rechtbank toetste dit aan de Verordening EG 261/2004 en de jurisprudentie van het Hof van Justitie, met name het Wallentin Herman arrest. Hieruit volgt dat technische problemen die ontstaan na de vrijgave van het toestel in beginsel niet als buitengewone omstandigheden gelden, tenzij zij voortkomen uit externe oorzaken waarop de luchtvaartmaatschappij geen invloed heeft.
De rechtbank concludeerde dat het motorstoring defect inherent is aan de normale bedrijfsvoering van de luchtvaartmaatschappij en dus geen buitengewone omstandigheid vormt. Daarom komt de vlucht voor compensatie in aanmerking en is het bestuursorgaan verplicht handhavend op te treden. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en verplicht handhavend optreden tegen United Airlines wegens het niet betalen van compensatie voor de geannuleerde vlucht.