De burgemeester van Rotterdam had besloten tot sluiting van de woning van eiser voor zes maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, nadat bij een doorzoeking 84,4 gram softdrugs was aangetroffen. Eiser stelde dat de doorzoeking onrechtmatig was en dat de sluiting disproportioneel was. De rechtbank oordeelde dat de doorzoeking rechtmatig was, mede omdat deze plaatsvond in aanwezigheid van eiser en na aanleiding van diens bedreiging van een buurman.
De rechtbank bevestigde dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in beginsel de bevoegdheid tot sluiting geeft, maar dat het uitgangspunt moet zijn dat eerst een waarschuwing wordt gegeven. Afwijking hiervan is slechts toegestaan bij ernstige gevallen met substantiële bijkomende omstandigheden, zoals daadwerkelijke drugshandel gerelateerde overlast.
In deze zaak ontbraken dergelijke bijkomende omstandigheden. De bedreigingen en overlast van eiser waren niet gerelateerd aan drugshandel, maar aan zijn psychische gezondheidstoestand. Ook het bezit van een patroon en de aanwezigheid van een drugspers rechtvaardigden geen directe sluiting. De rechtbank vernietigde daarom het besluit en bepaalde dat de burgemeester opnieuw op het bezwaar moet beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.