ECLI:NL:RBROT:2013:BZ2448
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid AFM tot vorderen van kopieën en invordering dwangsommen bevestigd
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) legde eiser, handelend onder de naam [B], een last onder dwangsom op wegens het niet tijdig verstrekken van gevraagde informatie, waaronder kopieën van samenwerkingscontracten en bankafschriften, op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wet op het financieel toezicht (Wft).
Eiser stelde dat AFM niet bevoegd was om op grond van artikel 5:16 Awb Pro kopieën te vorderen en dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar was vanwege een ongeluk en ziekenhuisopname. Tevens betwistte hij de invordering van de verbeurde dwangsommen wegens financiële omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat artikel 5:16 Awb Pro geen beperkingen kent op de wijze van inlichtingenvordering, waardoor ook kopieën mogen worden gevorderd. De overschrijding van de termijn was niet verschoonbaar omdat eiser onvoldoende maatregelen had getroffen om zijn post te beheren. De invordering van de dwangsommen werd gegrond verklaard omdat het matigingsverzoek onjuistheden bevatte en niet adequaat werd hersteld.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het dwangsombesluit gehandhaafd. De uitspraak bevestigt de ruime bevoegdheid van AFM tot informatievordering en de strikte toepassing van de medewerkingsplicht.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom van AFM wordt ongegrond verklaard en het dwangsombesluit gehandhaafd.