ECLI:NL:RBROT:2013:BZ5151
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boetes wegens overtreding spamverbod vernietigd wegens onvoldoende bewijs abonnees
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 21 maart 2013 uitspraak gedaan over boetes die door OPTA zijn opgelegd wegens overtreding van artikel 11.7, eerste lid, van de Telecommunicatiewet (Tw). De boetes betroffen het verzenden van ongevraagde commerciële e-mails in de periode van januari 2007 tot april 2010. Eisers betwistten de boetes onder meer omdat niet was onderzocht of de e-mails waren verzonden aan abonnees die natuurlijke personen zijn, zoals vereist volgens de toen geldende wetgeving.
De rechtbank stelde vast dat het spamverbod tot 5 juni 2012 alleen betrekking had op berichten aan abonnees, en tot 1 oktober 2009 zelfs alleen aan abonnees die natuurlijke personen zijn. OPTA rustte de bewijslast om te bewijzen dat de e-mails aan dergelijke abonnees waren verzonden. Het onderzoek van OPTA ontbrak echter aan een concrete verificatie van deze abonnees, en het vermoeden dat e-mails aan abonnees waren gericht op basis van de hoeveelheid en werkwijze was onvoldoende in het licht van artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat het lex certa-beginsel vereist dat duidelijkheid bestaat over de doelgroep van het spamverbod en dat de bewijslast bij OPTA ligt. Omdat OPTA dit bewijs niet had geleverd, werden de boetes vernietigd en het primaire besluit herroepen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers. De rechtbank zag geen mogelijkheid om het onderzoek te heropenen voor nader bewijs, waardoor de boetes niet gehandhaafd konden worden.
Uitkomst: De opgelegde bestuurlijke boetes wegens overtreding van het spamverbod worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat de e-mails aan abonnees die natuurlijke personen zijn zijn verzonden.