ECLI:NL:RBROT:2013:BZ7275
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. de Gans
- G.M. Paling
- C.H. van Breevoort - de Bruin
- Rechtspraak.nl
Bezwaren tegen afwijzing gedragsdeskundig onderzoek na aanvang terechtzitting
In deze strafzaak heeft bezwaarde een verzoek ingediend bij de rechter-commissaris om een gedragsdeskundig onderzoek te verrichten naar de verwerking van ongerijmde informatie door een jongen van veertien jaar. Dit verzoek werd door de rechter-commissaris afgewezen omdat het onderzoek niet relevant zou zijn voor de beantwoording van de door de rechtbank te beantwoorden vragen.
Bezwaarde stelde dat het verzoek binnen de kaders van de Wet versterking positie rechter-commissaris viel en dat het onderzoek van invloed kon zijn op de bewezenverklaring en strafmaat. De officier van justitie vond dat de rechter-commissaris het verzoek terecht had afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de Wet versterking positie rechter-commissaris niet beoogt dat de verdachte zich na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting rechtstreeks tot de rechter-commissaris kan wenden zonder tussenkomst van de rechtbank.
De rechtbank stelde vast dat het onderzoek ter terechtzitting was aangevangen op 15 november 2012 en dat de rechter-commissaris het verzoek van 18 maart 2013 daarom niet-ontvankelijk had moeten verklaren in plaats van afwijzen. Het bezwaarschrift werd gegrond verklaard, maar de rechtbank hoefde het verzoek niet inhoudelijk te beoordelen of terug te verwijzen naar de rechter-commissaris.
De uitspraak verduidelijkt de verhouding tussen het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting en bevestigt dat na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting de rechtbank de exclusieve bevoegdheid heeft om over onderzoeksverzoeken te beslissen.
Uitkomst: Het bezwaarschrift is gegrond verklaard omdat het verzoek tot gedragsdeskundig onderzoek na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting niet-ontvankelijk was.