ECLI:NL:RBROT:2013:BZ8799
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursprocedure
Eiser verzocht op 15 maart 2012 om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure die liep van 13 december 1993 tot 16 maart 2007. Verweerder wees dit verzoek af, stellende dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep rechtmatigheid bevestigde en dat geen nieuwe beslissing op bezwaar nodig was. Tevens stelde verweerder dat de uitspraak gezag van gewijsde had en dat er geen sprake was van een aan hem toe te rekenen termijnoverschrijding.
De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte het verzoek heeft beoordeeld aan de hand van drie vragen, waaronder of de uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen en of er een termijnoverschrijding is vastgesteld. De formele rechtskracht van het primaire besluit strekt zich niet uit tot de duur van de procedure. Ook is het niet verboden om na afloop van de procedure een verzoek om schadevergoeding in te dienen.
De rechtbank stelt dat verweerder een besluit had moeten nemen over de redelijke termijn en de aanspraak op schadevergoeding. Omdat verweerder dit niet heeft gedaan, is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 Awb Pro en wordt het vernietigd. Verweerder krijgt zes weken de tijd om het gebrek te herstellen. Eiser kan daarna binnen vier weken zijn zienswijze geven. De rechtbank zal bij einduitspraak ook over proceskosten beslissen.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat verweerder niet heeft beslist over de termijnoverschrijding en de aanspraak op schadevergoeding.