Uitspraak
200604911/1(AB 2007, 213) overweegt de Afdeling dat in dit verband aansluiting wordt gezocht bij het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, rechtsoverweging 4.4 (AB 2006, 11). Tegen die achtergrond acht de Afdeling in dit geval een totale duur van de procedure van drie jaar en vier maanden niet onaanvaardbaar lang, gelet op het feit dat tussen de raad en [appellant] veelvuldig contact is geweest en de zaak driemaal in bezwaar en tweemaal bij de rechtbank is behandeld, waarbij niet is gebleken van onvoldoende voortvarendheid van de raad of van de rechtbank. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor een vergoeding van schade wegens schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM geen aanleiding bestaat en dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven.