Eiser diende een verzoek om informatie in bij verweerder op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Dit verzoek werd aanvankelijk afgewezen, maar later gewijzigd zodat de informatie alsnog werd verstrekt. Eiser maakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om proceskostenvergoeding. Verweerder kende een vergoeding toe van €118, maar eiser vond dit te laag en stelde dat een telefonisch horen gelijkgesteld moet worden aan een fysieke hoorzitting, en dat de toegepaste wegingsfactor te laag was.
De rechtbank oordeelde dat telefonisch horen gelijkgesteld kan worden aan het bijwonen van een hoorzitting en dat de zaak inhoudelijk van aard was, waardoor de wegingsfactor 'gemiddeld' (1) van toepassing is in plaats van 'zeer licht' (0,25). De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de proceskostenvergoeding betreft en stelde zelf de vergoeding vast op €974, bestaande uit 2 punten à €487 met wegingsfactor 1.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €160. De uitspraak werd gedaan door rechter A. van Gijzen op 7 oktober 2014. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.