Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
- Verzoeker waarschijnlijk op 1 juli 2007 een Opiumwetdelict heeft gepleegd, omdat hij een transactie heeft aanvaard in verband met het op die dag aanwezig hebben van softdrugs.
- Verzoeker betrokken is geweest bij hennepteelt, waardoor hij in staat was hennepproducten goedkoper aan te bieden dan gebruikelijk is in de branche. Dit vermoeden wordt ondersteund doordat de Belastingdienst heeft geconstateerd dat verzoeker in de periode 2007 - 2009 een hogere winstmarge heeft behaald dan in de branche gebruikelijk is.
- Verzoeker waarschijnlijk van oktober 2009 tot eind 2009 een groter dan toegestane handelsvoorraad softdrugs heeft aangehouden, omdat hij aan de Belastingdienst heeft verklaard dat hij vanaf oktober 2009, na de ontmanteling van de hennepkwekerij waarbij hij betrokken is geweest, niet langer softdrugs tegen een lagere prijs kon inkopen, maar hij wel een lagere verkoopprijs heeft aangehouden tot 1 januari 2010.
- Verzoeker blijkbaar ook na 2009 een voorraad buiten de coffeeshop heeft aangehouden, daar de Belastingdienst in het kader van boekenonderzoek heeft geconstateerd dat geen administratie van de voorraad softdrugs buiten de coffeeshop werd bijgehouden tot eind 2011.
- Verzoeker waarschijnlijk ook na 2009 een groter dan toegestane handelsvoorraad softdrugs heeft aangehouden, omdat hij op 27 september 2012 door de politie is gehoord als verdachte en hij in dat verband heeft verklaard voornemens te zijn geweest om vier kilo hennep in Den Haag kopen ten behoeve van de exploitatie van de inrichting. Ter plaatse is toen een hoeveelheid henneptoppen aangetroffen van in totaal bijna vier kilo, terwijl verzoeker ruim € 10.000,- bij zich had en zijn broer een bedrag van € 10.000,- bij zich had.
- Verzoeker over de jaren 2007 tot en met 2011 niet heeft voldaan aan de administratieplicht in de zin van artikel 52 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), omdat de Belastingdienst heeft vastgesteld dat de kasadministratie die achteraf wordt opgemaakt geen betrouwbare basis vormt voor de winstberekening, dat het brutowinstpercentage over 2010 significant lager is dan volgens de branchegegevens mag worden verwacht, terwijl die in de voorgaande periode 2007 – 2009 juist hoger was dan gebruikelijk, terwijl de Belastingdienst de verklaringen daarvoor niet toereikend acht, dat verzoeker tot eind 2011 geen voorraad/inkoopadministratie bijhield en uitsluitend een voorraadadministratie heeft bijgehouden van de in de coffeeshop aanwezige softdrugs en dat de Belastingdienst met verzoeker en zijn adviseur is overeengekomen dat de inkoopwaarde softdrugs over het jaar 2010 zal worden verlaagd met € 40.000,- en de brutowinst over dat jaar wordt verhoogd met hetzelfde bedrag.
- Verzoeker een groot wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit deze verboden activiteiten, welke hem niet is ontnomen, zodat hij dit kan aanwenden voor de verdere exploitatie van de inrichting.