4.3.2Ten aanzien van het verwijt dat eiseres onjuiste informatie heeft verstrekt over het privégebruik van de dienstauto stelt de rechtbank vast dat het bij dit verwijt niet gaat over de vraag of eiseres de dienstauto wel of niet privé mocht gebruiken maar over de vraag of eiseres verklaard zou hebben dat zij de dienstauto niet privé gebruikte. Niet in geschil is dat eiseres blijkens haar arbeidsovereenkomst de dienstauto privé mocht gebruiken. Pas in september 2011 heeft eiseres afgezien van privégebruik van de dienstauto. Het COA heeft aangegeven dat eiseres meerdere keren heeft verklaard dat zij haar dienstauto niet voor privé doeleinden heeft gebruikt. Dit was in februari 2011 tegenover de toenmalige vice-voorzitter van de Raad van Toezicht, in maart 2011 tegenover [advocaat], advocaat, op 21 april 2011 tegenover de Raad van Toezicht en op 10 mei 2011 tegenover de waarnemend Directeur Generaal Vreemdelingenzaken en de directeur PRIO. Voorts heeft eiseres op vragen van de NOS verklaard dat zij de dienstauto niet privé gebruikte en ook zou eiseres ten aanzien van de commissie [s] (p.127/142 van het rapport) hebben verklaard dat zij de dienstauto nooit privé heeft gebruikt. Eiseres stelt hier tegenover dat zij er geen belang bij zou hebben, gelet op haar arbeidsovereenkomst, om te verklaren dat zij geen privé gebruik maakte van de dienstauto en dat ze in september 2011 haar privégebruik heeft beëindigd. Hiermee heeft zij voornoemde verklaringen niet ontkracht. Uit de uitspraak van de kantonrechter van 8 oktober 2014 blijkt dat beide partijen (het COA en eiseres) gelegenheid hebben gehad getuigen te doen horen. De volgende getuigen zijn gehoord: [getuigen](leden van de Raad van Toezicht van het COA) en [getuige]strategisch adviseur van het COA. Verder zijn gehoord [s], Rijsdijk en Van der Mark, vanuit de commissie [s]. Ook zijn gehoord[getuige]verbonden aan het ministerie. In de rechtsoverwegingen 2.8 tot en met 2.29 van voornoemde uitspraak zijn de getuigenverklaringen weergegeven. In de rechtsoverwegingen 2.29 en 2.38 komt de kantonrechter tot de conclusie dat op basis van de processen-verbaal, in onderling verband bezien en in samenhang met de in de respectieve verhoren aan de orde gestelde documenten, bewezen wordt geacht dat eiseres -in strijd met de waarheid- diverse malen ten overstaan van leden van de Raad van Toezicht, medewerkers van het ministerie en leden van de commissie [s] heeft verklaard dat zij de dienstauto in de periode van mei tot en met september 2011, in het kader van de voordracht van eiseres tot voorzitter van de Raad van Bestuur van het COA, niet privé gebruikte.
De rechtbank betrekt bij haar beoordeling dat eiseres geen nieuwe of andersluidende objectieve informatie heeft overgelegd die afbreuk zou kunnen doen aan hetgeen de kantonrechter bewezen heeft geacht. Verweerder heeft het aangehaalde vonnis van de kantonrechter mede mogen beschouwen als nader bewijs van het in het bestreden besluit opgenomen standpunt ter zake van dit verwijt en dit kunnen aanmerken als een objectief dringende reden voor ontslag.
4.3.3Ten aanzien van het verwijt dat eiseres opdracht zou hebben gegeven om achteraf haar agenda te (laten) wijzigen ter maskering van het privé gebruik van de dienstauto (en opgelopen boetes) overweegt de rechtbank het volgende. Het COA heeft de stelling dat eiseres achteraf haar agenda liet wijzigen en dat zij daarbij ondergeschikten heeft betrokken, hoofdzakelijk gebaseerd op het Hoffmannrapport. Onderdeel van het Hoffmanrapport zijn de verklaringen van [werknemer 2] (chauffeur van eiseres) en [werknemer 1] (secretaresse). Aan dit rapport kan worden ontleend dat er acht werkbezoeken in de digitale agenda van eiseres zijn ingevoerd die betrekking hadden op fictieve dan wel onjuiste afspraken. Uit gesprekken is duidelijk geworden dat deze werkbezoeken op verzoek van eiseres in de agenda zijn gezet. Uit onderzoek is gebleken dat deze werkbezoeken in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden. Daarnaast is bekend geworden dat er in totaal 27 afspraken, inclusief de acht hiervoor genoemde, achteraf in de digitale agenda van eiseres zijn gezet.
In het eerder aangehaalde vonnis van de kantonrechter van 8 oktober 2014 is onder rechtsoverweging 2.31 tot en met 2.37 uitvoerig weergegeven wat door [werknemer 2] en [werknemer 1] onder ede is verklaard in de getuigenverhoren die op dit aspect betrekking hebben. Uit deze verklaringen heeft de kantonrechter afgeleid dat eiseres in de periode van de uitzending van de NOS van 18 september 2011 met [werknemer 2] heeft besproken dat de agenda van eiseres moest worden aangepast in verband met haar privégebruik van de dienstauto en dat [werknemer 1] van eiseres de instructie heeft gekregen om dat privégebruik via aanpassingen in de agenda te verhullen.
Eiseres heeft in haar aanvullende beroepschrift en ter zitting betoogd dat de verklaringen van [werknemer 2] en [werknemer 1] inconsequent en innerlijk tegenstrijdig zijn. Bijna alle door eiseres aangevoerde punten hieromtrent zien op de wijze waarop [werknemer 1] en [werknemer 2] invulling hebben gegeven aan de wijzigingen in de agenda. De rechtbank acht niet doorslaggevend hoe de wijzigingen zijn geadministreerd of uitgevoerd. Het feit dat eiseres opdracht gegeven heeft om haar agenda te wijzigen op een wijze die niet strookt met de werkelijkheid en dat zij dit deed om privégebruik van de dienstauto te verhullen, is doorslaggevend. De enkele ontkenning van eiseres dat zij geen opdracht aan haar ondergeschikten heeft gegeven, acht de rechtbank onvoldoende. Ook de stelling van eiseres dat zij er geen belang (meer) bij zou hebben om wijzigingen in de agenda ten aanzien van verkeersboetes door te voeren volgt de rechtbank niet, gelet op hetgeen ten aanzien van het tweede verwijt (zie hiervoor onder rechtsoverweging 4.3.2) is overwogen. In het licht van de verklaring van eiseres dat zij haar dienstauto niet privé gebruikte, zou het oplopen van verkeersboetes bij niet-zakelijke ritten immers niet te verklaren zijn. Het feit dat eiseres de privé opgelopen verkeersboetes zelf betaalde, doet aan het voorgaande niet af.
De kantonrechter heeft in de rechtsoverwegingen 2.35 tot en met 2.37 van de uitspraak van 8 oktober 2014 uiteengezet dat de beide getuigen geloofwaardig zijn en dat zij hun verklaringen eerder hebben afgelegd bij het onderzoek van Hoffmann. Dat de getuigenverklaringen op enkele - ondergeschikte - onderdelen inconsistent en niet gelijk zijn, doet aan het voorgaande niet af, nu de verklaringen van [werknemer 2] en [werknemer 1] steun vinden in anderszins beschikbaar gekomen informatie. Op grond hiervan komt de kantonrechter in rechtsoverweging 2.38 tot de conclusie dat bewezen wordt geacht dat eiseres verhuld heeft dat zij de dienstauto voor privédoeleinden gebruikte en dat zij daarbij ondergeschikten heeft betrokken.
4.3.4De rechtbank heeft na heropening van het onderzoek kennis kunnen nemen van de onder ede bij de kantonrechter afgelegde verklaringen van [werknemer 2] en [werknemer 1], alsmede de verklaringen die zij eerder hebben afgelegd in het kader van het onderzoek van Hoffmann. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat [werknemer 1] en [werknemer 2] consequent en niet tegenstrijdig hebben verklaard met betrekking tot het gegeven dat eiseres zelf verzocht heeft om fictieve afspraken in de agenda te plaatsen. Beiden hebben verklaard dat eiseres rond de uitzending van de NOS opdracht had gegeven om de agenda aan te passen.
De rechtbank verwijst naar pagina 14 van het getuigenverhoor van [werknemer 1] op 2 september 2013 bij de kantonrechter, waarbij [werknemer 1] verklaarde:
Rondom de uitzending van de NOS vroeg [werknemer 2] aan mij of ik wat afspraken in de agenda wilde zetten. Dat had [eiseres] met [werknemer 2] in de auto kort gesloten, zo vertelde [werknemer 2] mij. [eiseres] verscheen op dat moment in de deuropening met hetzelfde verzoek. Er had een aantal verkeersovertredingen plaatsgevonden in het weekend. [eiseres] had deze begaan. Ik dacht dat ik al een aantal facturen van verkeersovertredingen in het weekend had, toen [werknemer 2] mij verzocht om afspraken in de agenda te zetten. Ik was verbaasd dat er afspraken in het weekend in de agenda gezet moesten worden in verband met verkeersboetes. -Ik moest clusterbezoeken in de agenda zetten, zo gaf [eiseres] aan. Het waren fictieve bezoeken. Ik heb ze rond de data en locatie van de verkeersboetes gepland. [werknemer 2] heeft mij daarbij geholpen. Ik ben topografisch slecht. Om het niet te laten opvallen heb ik deze over een paar maanden ingepland. Ik meen dat het om zes of zeven clusterbezoeken ging.
Naderhand heeft [eiseres] mij gevraagd of ik de fictieve afspraken in de agenda had gezet, hetgeen ik heb bevestigd.
-op pag. 15 verklaart [werknemer 1] dat zij ook fictieve werkbezoeken in de agenda heeft gezet, die niet corresponderen met een boete. Zij deed dit om het zo onopvallend mogelijk te maken. Verder op pag. 15 verklaart zij dat [eiseres] haar opdracht had gegeven fictieve werkbezoeken in te plannen.
- op pag. 17 verklaart [werknemer 1] dat zij van [eiseres] geen bekeuringen gekregen heeft om daaromheen afspraken in te plannen in de agenda. Deze bekeuringen had ik zelf al.
Tijdens het vervolggehoor op 5 september 2013 verklaart [werknemer 1] op pagina 37:
U vraagt mij naar mijn verklaring zoals afgegeven ten overstaan van Hoffmann en zoals ik deze afgelopen maandag heb gegeven met betrekking tot het verzoek van [werknemer 2] om werkafspraken in de agenda te zetten. Allereerst merk ik op dat de chauffeur niet geautoriseerd is om dergelijke verzoeken te doen. In dit geval is het [eiseres] die mij dit verzoek heeft gedaan. Op de vraag wat de exacte bewoordingen waren van [eiseres] toen zij de opdracht gaf, antwoordt [werknemer 1] dat zij dit niet precies kan zeggen omdat het al weer een tijdje geleden was. Het was iets in de strekking van “Of ik een paar werkbezoeken wilde inplannen”. Nadat [eiseres] [werknemer 1] had verzocht de agenda aan te passen heeft zij dat dezelfde dag gedaan. De tweede maal dat zij de fictieve afspraken heeft ingevoerd was zonder dat [werknemer 2] daarbij was.
-Op pag. 2 van het gehoor van [werknemer 1] op 21 februari 2012 in het kader van het Hoffmannrapport verklaart zij dat zij van [eiseres] na de NOS uitzending opdracht heeft gekregen om werkbezoeken in het weekend in te plannen. Het waren fakeafspraken in verband met het rijden van de dienstauto in het weekend. De opdracht die [eiseres] gaf was mondeling. Ik kan me niet herinneren dat ze een reden hiervoor opgaf. In eerste instantie kwam [werknemer 2] met dit verzoek bij [werknemer 1], Daarna kwam [eiseres] met dit verzoek.
-Op pag. 3 antwoordt [werknemer 1] op de vraag wat [eiseres] met het inplannen van weekendbezoeken wilde bereiken: “Dat weet ik niet. Ik denk dat het een paniekaanval was”.
In het getuigengehoor bij de kantonrechter op 2 september 2013 verklaart [werknemer 2] (pag. 19) dat de agenda werd aangepast op initiatief van [eiseres] rond de NOS uitzending. Op een gegeven moment zei [eiseres] tegen mij: [werknemer 2] weet jij of de bekeuringen die ik privé heb gekregen tijdens het weekend geregistreerd zijn bij het COA”. Ik zei: “ik weet het niet, jij betaalt ze toch zelf?”. Met betrekking tot de aanpassing van de agenda verklaart [werknemer 2] dat [eiseres] aan de secretaresse vroeg ([eiseres] stond toen in de deuropening) om van de privé bekeuringen zakelijke ritten te maken. Ze vroeg dat in mijn aanwezigheid. [werknemer 1] keek toen heel verschrikt op en vroeg hoe ze dat moest doen, waarop ik heb gezegd: “[werknemer 1], ik help je wel, want ik ben topografisch beter dan jij”. -Op pag. 21 verklaart [werknemer 2] dat voor zover hij weet, de agenda is aangepast de dag na de uitzending van de NOS.
-In het vervolggehoor op 5 september 2013 bij de kantonrechter verklaart [werknemer 2] (pag. 35) dat [eiseres] de dag na de uitzending van de NOS, vanuit de deuropening van de kamer van [werknemer 1], aan [werknemer 1] vroeg “[werknemer 1], wil jij van de bekeuringen zakelijke ritten maken?”
-Op pag. 36 van dit gehoor verklaart [werknemer 2] dat er een gesprek heeft plaatsgevonden over de registratie van de privé bekeuringen waarop [eiseres] zei “Ik zal wel even laten nagaan of het zo is”. Hierop zei [werknemer 2] ”Waarom zou je dat doen, want je hebt ze toch zelf betaald?” [eiseres] heeft toen aan [werknemer 2] gezegd dat ze deze aanpassing van de agenda wilde “voor de beeldvorming”. [werknemer 2] heeft vervolgens verklaard dat hij [werknemer 1] heeft geholpen bij het achteraf inplannen van de werkbezoeken.
-Eveneens op pag. 36 verklaart [werknemer 2] dat hem er niets van bekend is dat [eiseres] met hem zou hebben kortgesloten dat [werknemer 1] wat afspraken in de agenda zou zetten. Hij verklaart dat het niet juist is dat hij [werknemer 1] heeft verzocht om afspraken in de agenda te zetten; [eiseres] heeft die opdracht gegeven.
Op pag. 3 van het gehoor van [werknemer 2] in het kader van het Hoffmannrapport verklaart [werknemer 2]: Op een gegeven moment zei [eiseres] tegen mij: [werknemer 2] weet jij of de bekeuringen die ik zelf heb betaald geregistreerd zijn bij het COA”. Ik zei: “dat lijkt me stug”. Ik weet niet waarom mevrouw [eiseres] het vroeg over de registratie van de bekeuringen. Het bleek dat achteraf het COA alle bekeuringen registreerde. Aan de hand van de weekendbekeuringen zijn er werkbezoeken gepland. Dat is door [werknemer 1] gebeurd in opdracht van mevrouw [eiseres]. Ik stond er bij toen ze die opdracht gaf. Ze zei iets in de trend van: “je moet maar even ritten plannen zodat de bekeuringen verantwoord zijn”. Dat heeft [werknemer 1] samen met mij gedaan. [werknemer 1] is namelijk niet zo topografisch onderlegd en ik wel. Volgens mij ging het om vijf bekeuringen en zijn de andere bezoeken gepland om het niet te laten opvallen.
Ter zitting van 23 april 2015 heeft eiseres verklaard dat zij haar secretaresse wel opdracht heeft gegeven om enkele werkbezoeken in de agenda te zetten, maar dat daarbij geen relatie is gelegd tussen deze werkbezoeken en de privé opgelopen bekeuringen. Met eiseres ziet de rechtbank niet in welk deugdelijk motief zij zou hebben om bekeuringen opgelopen tijdens privé gebruik van de dienstauto voorafgaand aan september 2011 te maskeren. Dit privé gebruik was immers toegestaan waarbij tijdens privé gebruik opgelopen bekeuringen door eiseres werden betaald. [werknemer 1] veronderstelt dat eiseres na de uitzending van de NOS in paniek handelde. [werknemer 2] geeft aan dat eiseres de aanpassing van de agenda wilde vanwege de beeldvorming. In het licht van het gestelde in rechtsoverweging 4.3.2. waarin is weergegeven dat eiseres verschillende malen en tegen verschillende personen heeft verklaard de dienstauto niet privé te gebruiken, zou het maskeren van privé gebruik wel relevant zijn. De rechtbank kan echter in het midden laten met welk motief eiseres de bewuste opdracht heeft verleend en zich beperken tot de vraag of eiseres daadwerkelijk de bewuste opdracht heeft verleend. Hierbij rijst de vraag aan welke verklaringen meer waarde wordt gehecht: aan die van eiseres of aan de verklaringen van [werknemer 2] en [werknemer 1].
Kennisneming van de betreffende proces-verbalen leidt de rechtbank tot de conclusie dat zij het oordeel van de kantonrechter en van verweerder met betrekking tot het aspect achteraf (laten) wijzigen van de agenda kan volgen. De rechtbank volgt het oordeel van de kantonrechter dat er geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk in negatieve zin van invloed zijn geweest op de geloofwaardigheid van de getuigen [werknemer 1] en [werknemer 2]. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat zij persoonlijk, financieel danwel anderszins een belang of motief hebben of hadden om in strijd met de waarheid een voor eiseres belastende verklaring af te leggen. Integendeel, de getuigen hebben verklaard - hetgeen ook niet door eiseres is ontkracht - dat zij een goede relatie met eiseres hadden, zodat niet valt in te zien waarom zij zouden verzinnen dat eiseres aan hen een dergelijke opdracht zou geven, terwijl zij wisten dat, indien dit bekend zou worden, dit vergaande gevolgen zou kunnen hebben voor eiseres én voor henzelf. De rechtbank volgt eiseres niet in haar veronderstelling dat [werknemer 1] en [werknemer 2] in strijd met de waarheid de hiervoor weergegeven verklaringen hebben afgelegd uit vrees om hun [werknemer 2] te verliezen indien zij niet zouden meewerken aan het vertrek van eiseres bij het COA. Noch in de feiten, noch in hun verklaringen zijn hiervoor aanwijzingen te vinden. Beiden hebben uitdrukkelijk anderszins verklaard.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat deze gedragingen, in aanmerking nemend de functie die eiseres vervulde, haar volledig zijn te verwijten. Haar handelwijze is niet passend voor een bestuurder op het niveau van eiseres en is strijdig met gangbare opvattingen over integer handelen en het vervullen van een voorbeeldfunctie naar ondergeschikten in de organisatie.
Zowel het verwijt zoals genoemd in rechtsoverweging 4.3.2 als het verwijt genoemd in de rechtsoverwegingen 4.3.3 en 4.3.4 vormen op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien een objectief dringende reden en rechtvaardigen het aan eiseres gegeven ontslag.
4.3.5Voor zover eiseres heeft gesteld dat de in haar voordeel pleitende omstandigheden, zoals haar goede functioneren, haar dienstjaren en haar positie op de arbeidsmarkt onvoldoende zijn meegewogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze in het bestreden besluit niet expliciet heeft benoemd in de veronderstelling dat deze uitgebreid aan de orde zouden komen in de lopende arbeidsrechtelijke procedure. In de uitspraak van de kantonrechter van 8 oktober 2014 is hierop ingegaan in de rechtsoverwegingen 2.40. en 2.41. De kantonrechter heeft overwogen dat de onmiskenbaar nadelige gevolgen van het ontslag in dit geval voor rekening van eiseres dienen te blijven nu de belangen van het COA bij de opzegging van de arbeidsrelatie zwaarder wegen. Mede op grond hiervan verenigt de rechtbank zich met de overweging van verweerder dat de in het voordeel van eiseres pleitende omstandigheden onvoldoende aan de objectieve dringende reden afdoen. Voornoemde omstandigheden heeft verweerder dan ook minder zwaar kunnen laten wegen.
5. De rechtbank concludeert dat er sprake is van een objectief en subjectief dringende reden in de zin van artikel 7:678, eerste lid, van het BW. Het opkomen van de dringende reden is eiseres te verwijten. Dit betekent dat verweerder er terecht van is uitgegaan dat eiseres met ingang van 3 oktober 2012 verwijtbaar werkloos is geworden. Daarom is ook terecht per die datum geweigerd de werkloosheidsuitkering uit te betalen.
6. Het beroep van eiseres dient ongegrond te worden verklaard.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.