Eiser stond ingeschreven op een GBA-adres en ontving studiefinanciering als uitwonende. Na een huisbezoek constateerde verweerder dat eiser niet op dat adres woonde, waarna het recht op studiefinanciering werd herzien en een boete werd opgelegd. Eiser maakte bezwaar tegen beide besluiten, maar het bezwaar tegen de herziening werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
De rechtbank oordeelt dat het niet tijdig indienen van bezwaar niet betekent dat de feiten en juridische oordelen als vaststaand moeten worden aangenomen. Verweerder moet bewijzen dat eiser niet op het GBA-adres woonde. Uit de huisbezoeken en verklaringen blijkt dat eiser feitelijk niet woonde op het adres, ondanks zijn stelling dat hij tot eind 2012 wel woonde en daarna bezig was met verhuizen.
De rechtbank vernietigt het besluit over de boeteoplegging wegens onvoldoende motivering, maar handhaaft de rechtsgevolgen van de herziening. De opgelegde boete van 50% van het herzieningsbedrag wordt passend geacht, mede gezien het minder zware sanctiestelsel van de Wsf 2000 ten opzichte van strafrechtelijke boetes. Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en het betaalde griffierecht wordt vergoed.