ECLI:NL:RBROT:2015:442
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging wegens niet-wonen op GBA-adres bij studiefinanciering
Eiseres volgde een HBO-opleiding en ontving een uitwonendenbeurs studiefinanciering. Verweerder stelde na onderzoek vast dat zij niet op het geregistreerde GBA-adres woonde en legde een boete op van 50% van het bedrag dat zij te veel had ontvangen. Eiseres voerde aan dat zij tijdelijk elders woonde en probeerde dit te onderbouwen met verklaringen, maar slaagde er niet in onomstotelijk bewijs te leveren.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de bewijslast droeg om aan te tonen dat eiseres niet op het GBA-adres woonde, wat was aangetoond. De boeteoplegging was daarom terecht. De hoogte van de boete, gekoppeld aan 50% van het terug te vorderen bedrag, werd passend geacht gezien de ernst van de overtreding en het sanctiestelsel van de Wet studiefinanciering 2000.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over de bewijsstandaard en de verhouding van de boete tot de ernst van de overtreding. Er was geen aanleiding om onderscheid te maken tussen opzet, grove schuld of verwijtbaarheid. Ook bijzondere omstandigheden ter matiging van de boete waren niet aannemelijk gemaakt.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens niet-wonen op het GBA-adres wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.