Eiseres diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) met ingang van 15 januari 2014, waarbij zij aangaf gescheiden te zijn en geen inkomsten te hebben. Verweerder wees de aanvraag aanvankelijk af op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar ex-partner. Later wijzigde verweerder de grondslag naar onvoldoende informatie over de woonsituatie.
De rechtbank stelde vast dat verweerder na het huisbezoek geen nadere informatie heeft gevraagd noch aanvullend onderzoek heeft gedaan om de juistheid van de verstrekte gegevens te controleren. Ook werd niet duidelijk gemaakt welke informatie nog ontbrak. Hierdoor was het besluit niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, in strijd met de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en besloot zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en aan eiseres bijstand toe te kennen vanaf de datum van haar aanvraag. De rechtbank kende geen terugwerkende kracht toe tot de datum van melding, omdat eiseres geen bijzondere omstandigheden had gesteld. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.