ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7881
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- W.F. Claessens
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Herziening intrekking bijstandsuitkering wegens onduidelijke woonsituatie en onrechtmatig huisbezoek
Appellante ontving bijstand vanaf 1996 met een toeslag van 20%. Het College van B&W Amsterdam trok haar bijstandsuitkering in vanaf 2002 wegens vermeende gezamenlijke huishouding met een man, [J.], en schending van de inlichtingenverplichting. Dit was mede gebaseerd op een huisbezoek in oktober 2007 en een nader onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen intrekkingsbesluiten deels ongegrond en deels gegrond. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraken. De Raad oordeelt dat het huisbezoek onrechtmatig was omdat er geen redelijke grond was en de toestemming niet op juiste wijze was verkregen. De bevindingen van dat huisbezoek mogen daarom niet worden gebruikt.
Wel mogen de resultaten van het nadere onderzoek, waaronder getuigenverklaringen, worden betrokken. Deze wijzen erop dat [J.] vanaf 4 mei 2006 hoofdverblijf had op het adres van appellante, maar niet vanaf 2002. De Raad stelt vast dat het College onvoldoende bewijs heeft voor de periode vanaf 2002 en dat het College ten onrechte uitging van onduidelijke woonsituatie om bijstand te weigeren.
De Raad vernietigt de besluiten van het College en de rechtbank, herroept de intrekkingsbesluiten en bepaalt dat de toeslag op de bijstand vanaf 5 oktober 2007 en over de periode 4 mei 2006 tot 5 oktober 2007 wordt vastgesteld op 10% in plaats van 20%. Tevens veroordeelt de Raad het College tot vergoeding van kosten en griffierechten.
Uitkomst: De intrekkingsbesluiten van de bijstandsuitkering worden vernietigd en herroepen, en de toeslag wordt vastgesteld op 10% in plaats van 20%.