Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 10 november 2015;
- het verweerschrift, met een bijlage;
- de pleitaantekeningen van de gemachtigde van Gulf.
Rechtbank Rotterdam
Gulf Oil Nederland B.V. verzocht de rechtbank Rotterdam om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met haar werknemer op grond van artikel 7:671b jo. 7:669 lid 3 BW. Gulf stelde dat verwijtbaar handelen, ongeschiktheid en een verstoorde arbeidsrelatie aan de orde waren, waardoor voortzetting van de arbeidsovereenkomst onredelijk was.
De werknemer was sinds 2012 in dienst en werkte als productiemedewerker bij Transnational Blenders B.V. Beoordelingen van zijn functioneren waren overwegend positief met enkele aandachtspunten zoals matige zorgvuldigheid en communicatie. Conflicten met collega’s werden gemeld, maar concrete feiten en rollen waren onduidelijk. Gulf stelde dat de werknemer dominant gedrag vertoonde en collega’s zich bedreigd voelden.
De rechtbank oordeelde dat Gulf onvoldoende concrete feiten had aangevoerd om verwijtbaar handelen aan te tonen. Ook was er geen bewijs dat de werknemer ongeschikt was voor zijn functie, mede gezien positieve beoordelingen en toegekende bonussen. De verstoorde arbeidsrelatie was onvoldoende ernstig en duurzaam bewezen, zeker nu de collega met wie het conflict speelde niet meer in dienst was.
Daarom was geen redelijke grond voor ontbinding aanwezig. Het verzoek werd afgewezen en Gulf werd veroordeeld in de proceskosten. De beslissing werd uitgesproken door kantonrechter A.J.P. van Essen.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen wegens het ontbreken van verwijtbaar handelen, ongeschiktheid of een verstoorde arbeidsrelatie.