Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[verzoeker II], tevens gemachtigde van [verzoeker I] , te [woonplaats] , tezamen: verzoekers,
Rechtbank Rotterdam
In deze bestuursrechtelijke zaak verzochten verzoekers om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht om [verzoeker II] te weigeren als gemachtigde van [verzoeker I] in een bezwaarprocedure tegen een Wob-besluit van 8 september 2015.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek zich uitsluitend richtte op het bestreden besluit tot weigering van de gemachtigde en niet op het Wob-besluit zelf. Aangezien het bezwaar tegen het Wob-besluit inmiddels was afgerond, ontbrak het spoedeisend belang voor de voorlopige voorziening. Tevens werd vastgesteld dat de weigering specifiek was voor de bezwaarprocedure van [verzoeker I] en niet algemeen.
Hoewel [verzoeker II] stelde dat de ongeanonimiseerde publicatie van het besluit op internet een onrechtmatige 'naming and shaming' opleverde, vond de voorzieningenrechter geen grond voor een voorlopige voorziening. De publicatie was wettelijk verplicht en reeds geschied, en het bezwaar tegen het bestreden besluit werd spoedig beslist. Ook werd gewezen op eerdere constatering van ernstige bezwaren tegen [verzoeker II] in soortgelijke procedures.
Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.H. de Wildt op 9 maart 2016 en is niet vatbaar voor hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van gemachtigde wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.