Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummers:ROT 15/2961 en ROT 15/3050
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juni 2016 in de zaak tussen
de burgemeester van de gemeente [plaats 2] , verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
a-grond). Volgens de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015 mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het LBB, in beginsel uitgaan van het advies van het LBB. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. De in de adviezen van het LBB genoemde feiten kunnen deze conclusie in dit geval niet dragen, nu zij daarvoor te weinig aanwijzingen bieden en niet stroken met hetgeen overigens bekend is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de adviezen onvoldoende informatie bevatten over (vermoedelijk gepleegde) strafbare feiten in de periode na 2010 en over de gestelde hoogte van de verzwegen omzet in de jaren 2010 tot en met het nemen van het bestreden besluit. Daarbij acht de rechtbank relevant dat de belastingdienst na 2010 geen (navorderings)aanslagen of vergrijpboetes meer heeft opgelegd aan eisers en dat het Openbaar Ministerie, zoals partijen ter zitting hebben bevestigd, in het in 1.2. genoemde pre-weegdocument tot op heden geen aanleiding heeft gezien voor strafrechtelijke vervolging.