Uitspraak
- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tot en met 7 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte voor het onder 1 primair, 2 primair en 4 tot en met 7 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een ontzetting uit het recht om een bestuurlijk ambt te bekleden in rijks-, provinciaal- of gemeentelijk verband dan wel in enige andere organisatie met overheidsstatus, voor de duur van 3 jaar;
- schuldigverklaring van de verdachte zonder oplegging van straf of maatregel voor het onder 3 ten laste gelegde.
Partiële nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 2 primair
Standpunt verdediging
- De tenlastelegging is onduidelijk omdat in de tenlastelegging is opgenomen ‘een of meer andere personen’ en ‘één of meer anderen’. De verdediging moet per persoon en per geschrift kunnen bepalen of de verdachte betrokkenheid heeft gehad, en zo ja op welke wijze.
- De tenlastelegging is onduidelijk omdat onder A wordt gesproken over volmachtbewijzen terwijl de bedoelde documenten die status nog niet hadden. Een stempas wordt pas een volmachtbewijs na het invullen van de persoons- en adresgegevens door de gevolmachtigde.
Beoordeling
- Feit 2 op de tenlastelegging vindt zijn grondslag in de inbeslagname van op naam gestelde (kopieën van) verkiezingsdocumenten in de woning van de verdachte. Het onderzoek naar deze verkiezingsdocumenten en naar de personen daarachter is neergelegd in zaaksdossier 02. Hierin is uitvoerig uitgewerkt om welke verkiezingsdocumenten het gaat, welke personen daarbij horen en wat de mogelijke betrokkenheid van de verdachte daarbij is. In de tenlastelegging is een keuze gemaakt om een aantal namen expliciet op te nemen en is een aantal andere namen geclusterd opgenomen onder de noemer ‘een of meer andere personen’ en/of ‘één of meer anderen’. Als de tenlastelegging wordt gelezen in samenhang met het zaaksdossier is voldoende duidelijk welke personen hiermee worden bedoeld.
- Uit artikel L14, derde en vierde lid, van de Kieswet (hierna: KW) kan worden afgeleid dat een stempas wordt omgezet in een volmachtbewijs door de achterkant van de stempas in te vullen en door de gevolmachtigde te laten medeondertekenen. Van dat medeondertekenen was nog geen sprake. Dit is immers een deel van het verwijt dat de verdachte nu juist wordt gemaakt. Op dit punt in de tenlastelegging, de verfeitelijking van de bestanddelen van de delictsomschrijving, kan daarom (nog) niet gesproken worden over een volmachtbewijs. Op dat punt is nog sprake van een stempas en heeft de verdediging een punt. Uit de motivering van het verweer kan echter worden afgeleid dat dit ook voor de verdediging volkomen duidelijk was. Daarnaast is in de tenlastelegging het begrip stempas als zodanig ook opgenomen. Een en ander maakt dat de tenlastelegging kan worden gelezen alsof op het gewraakte punt alleen stempas is bedoeld. Dat de verdediging door deze verbeterde, beperkte, lezing van de tenlastelegging in enig belang is geschaad, is gesteld noch gebleken.
Tussenconclusie
Partiële nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 3
Standpunt verdediging
Beoordeling
Tussenconclusie
Partiële nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6
Standpunt verdediging
Beoordeling
Tussenconclusie
Toepassing 119 Gw, 76 RO en 483 Sv jo. 44 Sr
Inleiding
Brief 15 maart 2016
Wettelijk kader
Beoordeling bevoegdheid
Feiten 4, 5 en 6
Kamerstukken II, 1883-84, 114, nr. 3, p. 45/46). Hetgeen daar is besproken, geeft geen aanleiding om te denken dat de wetgever een ander idee heeft gehad over de betekenis van het woordje ‘alle’ dan die is verwoord in de hierboven geciteerde Kamerstukken. Dat geldt eens te meer nu het hier in persoon dezelfde Minister van Justitie betreft, te weten minister Du Tour van Bellinchave.
- de verdediging heeft preliminair noch nadat het vraagpunt op de zitting door de rechtbank naar voren is gebracht, bepleit dat de rechtbank voor de feiten 4, 5 en 6 niet bevoegd is. Slechts op een klein onderdeel van feit 5 maakt de verdediging daarop een uitzondering. De beoordeling daarvan zal hieronder nader worden besproken. Dat de onbevoegdheid niet wordt bepleit, is van belang vanwege twee belangrijke doelen die worden gediend met een berechting van ambtsmisdrijven van politieke ambtsdragers voor de Hoge Raad, te weten de bescherming van de politieke ambtsdrager tegen lichtvaardige vervolging én beperking van de duur dat de politieke ambtsdrager het middelpunt van politieke opschudding is vanwege een proces wegens vermeende ambtsmisdrijven. Beide beschermingsdoelen van de regeling vormen voor de verdediging kennelijk geen belang. Op zichzelf genomen is dit ook wel te begrijpen omdat deze doelen niet (meer) kunnen worden gediend. Enerzijds heeft de tijd de beschermingsdoelen ingehaald en anderzijds strekken de verwijten zich uit over zo veel meer dat de beschermingsdoelen voor een deel illusoir zouden zijn;
- door de officier van justitie is meermalen in woord en geschrift gesteld dat het de bedoeling is geweest de verdachte alleen te vervolgen voor zijn handelen in zijn hoedanigheid van wethouder van de gemeente Roermond. Daarbij overtuigt in enige mate het argument dat dat in lijn is met de opbouw, de inhoud en de geest van het dossier. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de officier van justitie dit standpunt betrekt teneinde bevoegdheid te creëren, om de regeling van de artikelen 119 Gw en 76 RO buiten de deur te houden. Wonderlijk blijft daarbij wel dat de officier van justitie de daad niet bij het woord heeft gevoegd door de tenlastelegging te wijzigen en de hoedanigheid waarin wordt vervolgd ook in de tenlastelegging expliciet te maken;
- de rechtbank is voor het overgrote deel van de ten laste gelegde perioden het enige gerecht dat bevoegd is tot berechting van de ambtsmisdrijven genoemd in feit 4, 5 en 6. Dit betreft een periode variërend van bijna vijf tot ruim acht jaar. Dit terwijl het deel waar mogelijk geen bevoegdheid zou bestaan een relatief korte periode van drie tot zestien maanden beslaat, waarin maar een klein aantal giften op de tenlastelegging valt. De belangen van proceseconomie en doeltreffendheid van het onderzoek op de zitting zouden door een splitsing van de verdenking door onbevoegdverklaring minst genomen niet worden gediend.
Standpunt verdediging bevoegdheid feit 5
Beoordeling bevoegdheidsverweer feit 5
Feiten 1, 2, 3 en 7
Standpunt verdediging bevoegdheid feit 1
Beoordeling bevoegdheidsverweer feit 1
Tussenconclusie
Standpunt verdediging bevoegdheid feit 3
Beoordeling bevoegdheidsverweer feit 3
De wrok van [betrokkene 23]
Standpunt verdediging
Beoordeling
Juridisch kader
Toetsing aan het juridische kader
Tussenconclusie
Teeventap
Standpunt verdediging
Beoordeling
Inhoud telefoongesprek
Tussenconclusie
Verjaring
Standpunt verdediging
Beoordeling
Tussenconclusie
Vooropstelling
Bewijsuitsluiting vanwege onrechtmatigheid doorzoeking
Standpunt verdediging
Beoordeling
Tussenconclusie
Informatie lekken
Inleiding
Standpunt officier van justitie
Beoordeling
Actieve omkoping sub 1
Actieve omkoping sub 2
Vaststaande feiten
- vragen die gesteld zouden worden tijdens het sollicitatiegesprek voor de vacature van burgemeester van de gemeente Roermond en gewenste antwoorden met toelichting op die vragen;
- de uitkomsten van de beraadslagingen van de vertrouwenscommissie;
- de beoordeling van het gesprek met de kandidaat door een aantal leden van de vertrouwenscommissie;
- het standpunt van een lid van de vertrouwenscommissie;
- namen van (andere) sollicitanten voor de vacature van burgemeester.
Standpunt verdediging
- In de Roermondse verordening worden zonder formeel wettelijke grondslag vele elementen aan de geheimhoudingsplicht toegevoegd. Een formele wettelijke grondslag is noodzakelijk omdat het vaststellen van een geheimhoudingsplicht een inperking vormt van de vrijheid van meningsuiting zoals deze is neergelegd in artikel 7 Gw Pro.
- De verplichtingen tot geheimhouding in artikel 61c van de Gemeentewet (hierna: Gemw) zijn zeer beperkt geregeld. De belangen die met die geheimhoudingsplicht worden beschermd, zijn de belangen van degenen die hebben gesolliciteerd en vervolgens niet op de lijst van aanbeveling van de vertrouwenscommissie zijn gekomen. De door de verdachte verstrekte informatie aan de kandidaten voor de burgemeesterspost valt niet onder de in artikel 61c Gemw bedoelde begrippen ‘beraadslagingen’ of ‘stukken die aan de raad worden verzonden’.
Wettelijk kader
Beoordeling
Raadsbesluit 2012/035/3
Verkiezingsgeknoei
Inleiding
Standpunt verdediging
Beoordeling
Juridisch kader
Vrijspraak
Bewijsverweer in feitelijke zin
Degene die stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert ten einde hen te bewegen het formulier op hun oproepingskaart, bestemd voor het stemmen bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart af te geven, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de derde categorie.
Kamerstukken II, 1987-1988, 20264, nr. 3, p. 67)
Omkoping
Dit verweer gaat niet op. Met de vlucht en het verblijf in de hotelkamer wordt iets van waarde overgedragen aan de verdachte, ook als daarvoor geen extra kosten worden gemaakt door [medeverdachte 1] . Ook deze uitgaven van [medeverdachte 1] kunnen derhalve als giften voor de verdachte worden aangemerkt.
Toegegeven kan worden dat er op sommige punten inderdaad wat af te dingen lijkt op de berekeningen zoals die in het dossier zijn opgenomen. Wat er ook zij van de exacte omvang van de giften, feit is dat er onder de streep een positief bedrag staat voor [medeverdachte 1] .
- De verdachte was bekend met de binnen de gemeente Roermond geldende gedragscodes van 2003 (ZD.03.24.10749 e.v.) en 2007 (ZD.03.031.14695 e.v.). In die gedragscodes wordt helder beschreven wat wel en niet van een ambtenaar wordt verwacht, onder meer in de bepalingen over belangenverstrengeling en geschenken en de daarop betrekking hebbende toelichting. Hieruit volgt onder meer - zeer kort weergegeven - dat de bestuurder elke (schijn van) belangenverstrengeling moet voorkomen en dat de grens voor giften ligt bij giften met een waarde van € 50,--. Hieruit volgt ook dat donaties aan de politieke partij van de bestuurder met het oog op een gunstige overheidsbeslissing ‘uit den boze’ zijn.
- Op basis van het dossier in combinatie met het onderzoek op de zitting kan zeker worden verdedigd dat de schijn bestaat dat op meerdere momenten tijdens de looptijd van de verschillende projecten kan worden gedacht dat [medeverdachte 1] en in enige mate ook [betrokkene 19] en [betrokkene 21] er minst genomen aardig uitspringen in de besluitvorming door de gemeente, en dat de verdachte hier een rol in heeft gehad. Het gaat echter veel te ver om in bewijsrechtelijk overtuigende zin te concluderen dat de verdachte genoemde ondernemers op die momenten daadwerkelijk heeft begunstigd. Voor een dergelijke conclusie biedt het dossier in combinatie met het onderzoek op de zitting waar het dossier besproken is geen basis. Laat staan dat de conclusie te trekken valt dat door de begunstiging van de verdachte ‘miljoenen euro’s in de zakken van [medeverdachte 1] zijn gevloeid’ zoals door de officier van justitie bij requisitoir letterlijk is betoogd. Dit laatste is een te gemakkelijke en toch eigenlijk een bijna blote stelling.
- De verdachte en [medeverdachte 1] zijn al bijna 40 jaar vrienden. Het betreft een zeer hechte vriendschap die onder meer wordt gekenmerkt door de omstandigheid dat ook hun beider gezinnen al jarenlang samen optrekken, door de omstandigheid dat de verdachte zeer nauw betrokken is bij de bouw van het vakantiehuis van [medeverdachte 1] in St. Tropez en door de omstandigheid dat de verdachte en zijn vrouw [medeverdachte 1] opzoeken in München als deze daar is geopereerd.
- De verdachte en [medeverdachte 1] maken tijdens die jarenlange vriendschap allebei carrière in onder andere Roermond, [medeverdachte 1] als projectontwikkelaar en de verdachte in de gemeentepolitiek. Gegeven deze feiten en omstandigheden hadden de verdachte en [medeverdachte 1] niet alleen privé maar ook zakelijk veelvuldig met elkaar te maken. Dat is ook terug te zien in de verschillende projecten zoals die zijn beschreven in het dossier.
[medeverdachte 1] , [betrokkene 19] en [betrokkene 21] hebben - op verzoek van de verdachte - betalingen aan [bedrijf 5] gedaan, een door de verdachte gebruikte verkiezingskas voor VVD-campagnes.
Voor de overige giften door [medeverdachte 1] is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat deze werden gedaan met als doel om hem te bewegen tot een doen of nalaten in strijd met zijn plicht als wethouder en/of ten gevolge van of naar aanleiding van een handelen of nalaten van de verdachte in strijd met zijn plicht als wethouder. In zoverre wordt de verdachte vrijgesproken van feit 4. Datzelfde geldt voor het aanleveren van privéadressen van medewerkers van [bedrijf 8] , en het laten reageren van mensen uit de omgeving van [betrokkene 21] op een door Dagblad De Limburger te publiceren negatief/suggestief krantenbericht over de bestuurscultuur in Roermond. In zoverre wordt de verdachte vrijgesproken van feit 6.
- Bij de verkoop van zijn assurantiebedrijf aan [bedrijf 10] in 2001 is de verdachte met [bedrijf 10] overeengekomen dat hij na die verkoop als adviseur van [bedrijf 10] tegen vergoeding werkzaam zou zijn. In dat kader heeft [bedrijf 10] in de jaren 2002 tot en met 2012 een bedrag van in totaal € 149.940,-- inclusief BTW aan [bedrijf 5] betaald. [bedrijf 5] heeft de adviseursvergoeding als omzet verantwoord en meegenomen in haar aangiften vennootschapsbelasting. De verdachte heeft deze vergoeding niet als resultaat uit overige werkzaamheden in zijn aangiften IB aangegeven.
- De inspecteur van de Belastingdienst heeft aan de verdachte navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over de jaren 2009 tot en met 2012 opgelegd omdat de verdachte de door [bedrijf 10] betaalde adviseursvergoeding aan [bedrijf 5] ten onrechte niet had meegenomen in zijn aangiften IB als resultaat uit overige werkzaamheden. Tegen deze door de inspecteur opgelegde navorderingsaanslagen heeft de verdachte eerst bezwaar en daarna beroep ingesteld. De belastingkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis van 13 mei 2016 het beroep van de verdachte tegen deze aanslagen gegrond verklaard.
Het overige deel van de uitgaven zag volgens de verdachte op onkosten die door hem in het kader van de advieswerkzaamheden voor [bedrijf 10] werden gemaakt. Hoewel bij een aantal van die uitgaven kan worden betwijfeld of dit daadwerkelijk [bedrijf 10] -gerelateerde onkosten waren, gaat het te ver om bij gerezen twijfel over de al dan niet aftrekbaarheid van bepaalde onkosten, te concluderen dat sprake is van een fiscaal gronddelict, in de zin van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften Vpb en OB. Het dossier geeft hiervoor ook onvoldoende onderbouwing. Het onderzoek, waaronder de opinie van mr. drs. [betrokkene 48] van de Belastingdienst, heeft zich immers vooral gericht op de vraag of de verdachte de adviesvergoeding van [bedrijf 10] in zijn aangiften IB moest verantwoorden, en niet of [bedrijf 5] juiste aangiften Vpb en OB had gedaan. Nu ook niet is gebleken dat de Belastingdienst bij het vaststellen van de definitieve aanslagen Vpb en OB op dit punt is afgeweken van de door [bedrijf 5] ingediende aangiften Vpb en OB, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te komen tot bewezenverklaring van dit gronddelict.
240 (honderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
120 (honderdtwintig) dagen.