Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het vijfde middel
5.Beoordeling van de middelen voor het overige
6.Beslissing
28 juni 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft de schending van de geheimhoudingsplicht door een wethouder die als adviseur van de vertrouwenscommissie optrad bij de benoeming van een nieuwe burgemeester in Roermond. De verdachte ontving vertrouwelijke informatie over sollicitatievragen en beraadslagingen van de vertrouwenscommissie en gebruikte deze informatie tijdens zijn sollicitatieprocedure.
Het hof stelde vast dat de geheimhoudingsplicht volgens artikel 61c van de Gemeentewet geldt voor de gehele procedure van de vertrouwenscommissie, inclusief de sollicitatiegesprekken. De verdachte werd medeplichtig bevonden omdat hij bewust informatie aannam en gelegenheid bood tot het schenden van deze geheimhouding.
De verdediging voerde aan dat de verdachte niet wist dat de informatie onder geheimhouding viel en dat het enkel aannemen van informatie onvoldoende is voor medeplichtigheid. Het hof verwierp deze argumenten op grond van de ervaring van de verdachte en de concrete gedragingen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep. De medeplichtigheid aan de schending van de geheimhoudingsplicht is daarmee definitief vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplichtigheid aan schending van de geheimhoudingsplicht tijdens de burgemeestersbenoeming in Roermond.