AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling beroep tegen besluit op bezwaar inzake mutatieformulier Participatiewet
Eiseres diende op 12 juni 2015 een mutatieformulier in bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis, waarin zij melding maakte van inkomsten uit een ontvangen dwangsom. Zij stelde verweerder vervolgens in gebreke wegens het niet nemen van een besluit naar aanleiding van dit formulier en verzocht om vaststelling van een dwangsom. Verweerder wees dit verzoek af, waarna eiseres bezwaar maakte. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna eiseres beroep instelde tegen het besluit op bezwaar en tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het mutatieformulier slechts voldoet aan de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17 vanPro de Participatiewet en geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3 lid 3 AwbPro. Hierdoor was verweerder niet verplicht een besluit te nemen en ook niet gehouden tot het vaststellen van een dwangsom. Het beroep tegen het besluit op bezwaar is daarom kennelijk ongegrond en de rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank wijst tevens het onterecht geheven griffierecht terug en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Schoneveld en griffier D. Goedhart op 20 juli 2016.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit op bezwaar wordt ongegrond verklaard en de rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 16/633 en ROT 16/1565
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2016 als bedoeld in artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[Naam], te Hellevoetsluis, eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis, verweerder.
Procesverloop
Op 12 juni 2015 heeft eiseres een mutatieformulier in het kader van de inlichtingenplicht, neergelegd in artikel 17 vanPro de Participatiewet, over de periode van 14 mei 2015 tot en met 13 juni 2015 bij verweerder ingediend. Hierop heeft zij aangegeven dat zij inkomsten heeft ontvangen in verband met een ontvangen dwangsom ad € 1.260,-.
Op 11 augustus 2015 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet nemen van een besluit op het door haar ingediende mutatieformulier en daarbij verzocht om een dwangsom vast te stellen.
Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft verweerder het verzoek om een dwangsom afgewezen.
Eiseres heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 18 december 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen laatstgenoemde besluit op 27 januari 2016 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd als zaaknr. ROT 16/633.
Op 5 maart 2016 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het door haar ingediende mutatieformulier. Dit beroep is geregistreerd als zaaknr. ROT 16/1565.
Verweerder heeft op 15 maart 2016 een verweerschrift ingediend (ROT 16/633) en bij brief van 16 maart 2016 hiernaar verwezen (ROT 16/1565).
Overwegingen
1. De rechtbank is van oordeel dat de beroepschriften van 27 januari 2016 en van 5 maart 2016 zien op dezelfde kwestie en dat naar aanleiding van laatstgenoemd beroepschrift ten onrechte nogmaals griffierecht is geheven. De rechtbank past hier de artikelen 4:19 en 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar analogie toe. Het door eiseres in de zaak ROT 16/1565 betaalde griffierecht zal door de griffier worden terugbetaald.
2. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Op grond van het derde lid van dit artikel wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijk wordt gsteld: het niet tijdig nemen van een besluit.
Op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb kan tegen het niet tijdig nemen van een besluit rechtstreeks beroep worden ingesteld.
3. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het door haar op 12 juni 2016 ingediende mutatieformulier een aanvraag is. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verweerder heeft miskend dat het mutatieformulier moet worden opgevat als een verzoek om wijziging of herziening van de bijstand, gelet op het gegeven dat zij daarin melding maakt van door haar ontvangen middelen. Verweerder was gehouden om naar aanleiding daarvan de bijstandbehoevendheid opnieuw te beoordelen, aldus eiseres.
4. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het door eiseres ingediende mutatieformulier niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb omdat hiermee slechts wordt voldaan aan de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet. Indien de verstrekte inlichtingen aanleiding geven tot wijziging of herziening van het recht op bijstand zal dit bij een besluit dienen te worden vastgesteld. Dit laatste maakt evenwel niet dat de vermelding op het mutatieformulier van de ontvangst van een dwangsom ad € 1.260,- als een aanvraag tot wijziging of herziening van het recht op bijstand dient te worden aangemerkt.
5. De rechtbank stelt daarom vast dat verweerder niet in gebreke was een besluit te nemen naar aanleiding van het ingediende mutatieformulier, zodat hij niet gehouden was tot het vaststellen van een dwangsom. Het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar van
18 december 2015 is daarom kennelijk ongegrond, zodat de rechtbank uitspraak kan doen zonder zitting. Hieruit volgt ook dat de bestuursrechter kennelijk niet bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar van 18 december 2015 ongegrond (ROT 16/633);
- verklaart zich onbevoegd om van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kennis te nemen (ROT 16/1565).
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Schoneveld, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Goedhart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.