ECLI:NL:RBROT:2017:10946

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juni 2017
Publicatiedatum
9 juli 2019
Zaaknummer
5321678 CV EXPL 16-6569
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verrekening bestuurdersvergoeding bij terugbetaling onterecht ingehouden reiskostenvergoeding niet toegestaan

Eisers vorderden terugbetaling van onterecht ingehouden reiskostenvergoedingen door hun werkgever. De werkgever stelde dat zij de betaalde bestuurdersvergoeding mocht verrekenen met deze terugvorderingen. De kantonrechter stelde vast dat de berekeningen van de werkgever overeenkwamen met de salarisstroken en nam deze als uitgangspunt.

De kantonrechter oordeelde dat de wettelijke verhoging niet verschuldigd was over de vergoedingen, conform het tussenvonnis. De werkgever mocht de bestuurdersvergoeding niet verrekenen met de terug te betalen vervoerskosten, omdat deze vergoeding vrijwillig was betaald en de terugbetalingsplicht onverlet liet.

De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de onterecht ingehouden bedragen aan beide eisers, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens werd de werkgever veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Werkgever moet bestuurdersvergoeding niet verrekenen en onterecht ingehouden reiskostenvergoeding volledig terugbetalen met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5321678 CV EXPL 16-6569
uitspraak: 1 juni 2017
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,
in de zaak van:
[eiser 1]en
[eiser 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers,
gemachtigde: F.W. Roguski,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J. van der Voet.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser 1] ’, ‘ [eiser 2] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 20 april 2017 en de daarin genoemde stukken;
de akte van de zijde van eisers;
de akte van de zijde van [gedaagde] .
Het vonnis is bepaald op heden.

2.De verdere beoordeling

2.1
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het totaalbedrag dat [gedaagde] voor het vervoer bij eisers in rekening heeft gebracht.
2.2
Eisers komen in hun akte tot een bedrag van € 639,85 netto voor zowel [eiser 1] als [eiser 2] . [gedaagde] komt tot een bedrag van € 619,75 voor [eiser 1] en € 599,65 voor [eiser 2] . De berekeningen van [gedaagde] komen overeen met de salarisstroken die door eisers zijn overgelegd. Haar berekeningen zullen dan ook tot uitgangspunt worden genomen.
2.3
Eisers hebben over bovengenoemde vergoedingen de wettelijke verhoging gerekend. In het tussenvonnis is echter reeds beslist dat de wettelijke verhoging hierover niet verschuldigd is en hetgeen partijen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding daarop terug te komen (zie r.o. 5.13).
2.4
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de bestuurdersvergoeding die zij aan eisers heeft betaald, van bovenstaande bedragen moet worden afgetrokken. Dat standpunt wordt niet gevolgd. Het enkele feit dat [gedaagde] deze vergoeding – zonder daartoe verplicht te zijn – heeft betaald, doet aan haar verplichting om de in rekening gebrachte vervoerskosten terug te betalen, niet af.
2.5
[gedaagde] is gelet op het vorenstaande aan [eiser 1] een bedrag van € 619,75 verschuldigd en aan [eiser 2] een bedrag van € 599,65.
2.6
[gedaagde] heeft er nog op gewezen dat zij van de onderhavige vorderingen reeds een bedrag van in totaal € 467,38 heeft voldaan. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit een verschrijving betreft, aangezien eisers reeds bij dagvaarding hebben aangevoerd dat [gedaagde] al een bedrag van € 537,21 heeft voldaan. Dat laatste bedrag komt ook overeen met de productie waarnaar [gedaagde] in haar akte verwijst.
2.7
Gelet op de hoogte van het totaal toe te wijzen bedrag, is aan buitengerechtelijke kosten – conform het Besluit buitengerechtelijke incassokosten – een bedrag van € 209,72 toewijsbaar.
2.8
Het door [gedaagde] betaalde bedrag strekt op de vorderingen van eisers in mindering. Dit bedrag strekt conform artikel 6:44 BW Pro eerst in mindering van de buitengerechtelijke incassokosten. Dat bedrag wordt daarom geacht reeds te zijn voldaan. Het daarnaast betaalde bedrag van € 327,49 zal voor de helft (€ 163,75) in mindering worden gebracht op de vergoeding die [gedaagde] aan [eiser 1] moet terugbetalen en voor de andere helft ( € 163,74) op de vergoeding die zij aan [eiser 2] moet terugbetalen.
2.9
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

3.De beslissing

De kantonrechter
:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 315,50 bruto aan loon en € 157,75 aan wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 456,- aan ten onrechte ingehouden reiskostenvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 435,91 aan ten onrechte ingehouden reiskostenvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres vastgesteld op € 223,- aan griffierecht, € 101,08 aan explootkosten en € 400,- aan salaris voor de gemachtigde van eiseres;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
371