ECLI:NL:RBROT:2017:3172

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 mei 2017
Publicatiedatum
25 april 2017
Zaaknummer
3195096
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 7A:1576 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering betaling gebruikskosten telefoonabonnement deels toegewezen wegens onduidelijke toestelprijs

Intrum Justitia vordert betaling van openstaande bedragen van [gedaagde] voortvloeiend uit een mobiele telefoonovereenkomst met Vodafone Libertel B.V., waarvan de vordering is overgedragen. [gedaagde] erkent een onbetaalde factuur die later is voldaan, maar betaalde niet de factuur van juni 2013.

De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst als koop op afbetaling geldt voor het toestel, maar dat de prijs van het toestel niet afzonderlijk is vastgelegd. Hierdoor is het toestelgedeelte van de overeenkomst niet van kracht en wordt de vordering hierover afgewezen. Wel worden de gebruikskosten en overige niet betwiste kosten van €58,33 toegewezen.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens het ontbreken van een juiste aanmaningstermijn. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding over het toegewezen bedrag. [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten, met een beperking van de griffierechtoverschrijding ten laste van Intrum Justitia.

Uitkomst: Vordering tot betaling gebruikskosten deels toegewezen, toestelprijs niet vastgesteld, incassokosten afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3195096 \ CV EXPL 14-30868
uitspraak: 19 mei 2017
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Intrum Justitia Nederland B.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
eiseres,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarder J. Hutten,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [plaatsnaam],
gedaagde,
in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als “Intrum Justitia” en “[gedaagde]”.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
  • het exploot van dagvaarding van 23 juni 2014 met producties;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de rolbeslissing van 5 september 2014;
  • de akte van Intrum Justitia ten behoeve van de rolzitting van 17 maart 2015 met producties;
  • de akte van [gedaagde] ten behoeve van de rolzitting van 12 mei 2015 met producties;
  • de rolbeslissing van 18 maart 2016;
  • de akte van Intrum Justitia ten behoeve van de rolzitting van 19 oktober 2016 met producties, en
  • de akte van [gedaagde] ten behoeve van de rolzitting van 16 november 2016 met producties.
1.2
Daarop is de datum voor de uitspraak van het vonnis nader bepaald op heden.

2.De vordering

2.1
Intrum Justitia heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 1.062,72, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2014 over € 906,96 tot aan de dag van algehele voldoening, tezamen een bedrag van € 25.000,00 niet te boven gaand, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
2.2
Aan haar vordering legt Intrum Justitia - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat [gedaagde] ondanks diverse aanmaningen in gebreke is gebleven met volledige (tijdige) voldoening van de - ingevolge tussen [gedaagde] en Vodafone Libertel B.V. op 29 juni 2013 gesloten overeenkomst (telefoonnummer 06-45306055) - aan haar verschuldigde bedragen. Intrum Justitia stelt daartoe dat Vodafone haar vordering op [gedaagde] bij akte van cessie aan Intrum Justitia heeft overgedragen.

3.Het verweer

[gedaagde] voert aan dat hij per abuis een bedrag niet had betaald. Dat bedrag heeft zijn partner toen alsnog voldaan. De afsluiting berust daarom volgens [gedaagde] op een misverstand. [gedaagde] verzoekt om de telefoonaansluiting te herstellen.

4.De beoordeling

4.1
[gedaagde] erkent dat er op enig moment, rond mei 2013, een factuur door hem - per abuis - onbetaald is gelaten. Vast staat dat dat bedrag later alsnog door of namens hem is betaald. Volgens [gedaagde] berust de buiten werking stelling van zijn telefoonaansluiting daarom op een misverstand. Uit de stukken blijkt echter dat de afsluiting niet heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het bovenstaande, maar naar aanleiding van het door [gedaagde] onbetaald laten van de (volgende) factuur van juni 2013. Door [gedaagde] is niet gesteld, noch is gebleken dat die factuur op enig moment door hem (alsnog) is betaald.
4.2
Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat [gedaagde] een overeenkomst is aangegaan, op grond waarvan [gedaagde] tegen betaling van maandelijkse abonnementskosten en gebruikskosten gebruik kon maken van het mobiele telecommunicatienetwerk van de telefoonprovider. Bij het aangaan van die overeenkomst is aan [gedaagde] een mobiele telefoon verstrekt. De vordering op [gedaagde] is overgedragen aan Intrum Justitia.
De overeenkomst wordt conform het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1385) ter zake van de verkrijging van de mobiele telefoon aangemerkt als koop op afbetaling als bedoeld in artikel 7A:1576 lid 1 Burgerlijk Wetboek, nu niet aannemelijk is dat de door [gedaagde] verschuldigde abonnementskosten niet (mede) strekken tot afbetaling van de door hem ontvangen telefoon.
Uit de door Intrum Justitia in het geding gebrachte gegevens blijkt niet dat de koopprijs van het aan [gedaagde] verstrekte telefoontoestel afzonderlijk is bepaald in de overeenkomst. Daarom wordt de overeenkomst ten aanzien van het toestelgedeelte geacht niet van kracht te zijn geworden.
Voor de verkoopwaarde van het toestel heeft Intrum Justitia verwezen naar een sim only vergelijking. Deze vergelijking is echter niet toegelicht en/of onderbouwd, zodat op grond hiervan geen betrouwbare verkoopwaarde van het toestel kan worden aangenomen.
Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld welk gedeelte van de door [gedaagde] verschuldigde maandtermijnen betrekking heeft op het toestelgedeelte en welk gedeelte betrekking heeft op de door de provider geleverde telecommunicatiediensten. Hierdoor moet worden aangenomen dat de beide onderdelen zodanig met elkaar verweven zijn dat zij niet los van elkaar kunnen worden gezien en daardoor allebei niet van kracht zijn geworden.
Daarom wordt de vordering van Intrum Justitia wat dit deel betreft afgewezen.
Wel blijkt uit de facturen dat er voor de datum van beëindiging van de overeenkomst ook overige kosten zijn gemaakt die buiten het tegoed van het abonnement vallen. Deze kosten van in totaal € 58,33 worden als gegrond en niet betwist wel toegewezen
4.3
De vordering tot vergoeding van de vervallen rente zal worden afgewezen, nu Intrum Justitia bij dagvaarding van een onjuist bedrag aan hoofdsom is uitgegaan. Intrum Justitia heeft hiermee over een te hoog bedrag aan hoofdsom vervallen rente berekend. De rente zal worden toegewezen zoals hierna bepaald.
4.4
Intrum Justitia maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is nu het verzuim na 30 juni 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan [gedaagde] een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
4.5
[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten van Intrum Justitia, behoudens voor zover het griffierecht € 115,00 overschrijdt, welke overschrijding - gelet op het beperkte bedrag dat aan hoofdsom is toegewezen - voor rekening van Intrum Justitia dient te blijven. Het salaris voor de gemachtigde van Intrum Justitia wordt om die reden eveneens bepaald op basis van de toegewezen hoofdsom en gebaseerd op één punt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Intrum Justitia van € 58,33, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Intrum Justitia vastgesteld op € 115,00 aan griffierecht, € 79,15 aan dagvaardingskosten en € 30,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
703