De rechtbank Rotterdam heeft op 26 april 2017 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming toegewezen tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over drie minderjarige kinderen, geboren in 2003, 2005 en 2007. De kinderen zijn sinds respectievelijk 2012, 2013 en 2015 uit huis geplaatst en verblijven in verschillende zorgomgevingen, waaronder een pleeggezin en open groepen. De Raad en de gecertificeerde instelling (GI) achten terugplaatsing naar de moeder niet mogelijk vanwege de complexiteit van de problematiek en de ongeschiktheid van de moeder om de noodzakelijke hulpverlening te organiseren.
De moeder verzette zich tegen het verzoek en verwees onder meer naar jurisprudentie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, stellende dat geen uitzonderlijke omstandigheden voor gezagsbeëindiging aanwezig zijn. Zij erkent echter dat terugplaatsing niet in het belang van de kinderen is en werkt al jaren mee aan de hulpverlening. De GI bevestigt dat de moeder onvoldoende in staat is zelfstandig de zorg te dragen vanwege haar verstandelijke beperking, taalproblemen en financiële situatie.
De rechtbank oordeelt dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door de instabiele opvoedingssituatie en de persoonlijke problematiek van de moeder. Gezien de zwaarte van de problematiek en het ontbreken van een passend vrijwillig kader, is beëindiging van het gezag gerechtvaardigd. De GI wordt benoemd tot voogd om de noodzakelijke zorg en regie over het contact met de moeder te waarborgen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.