ECLI:NL:RBROT:2017:4615
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dagloonvaststelling voor WIA-uitkering in geschil tussen werknemer en UWV
Eiseres ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, waarbij het dagloon was vastgesteld op €87,16. Zij maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon en stelde dat de referteperiode en de gehanteerde aangiftetijdvakken onjuist waren vastgesteld. Tevens voerde zij aan ten onrechte niet als herintreder te zijn aangemerkt en dat de toepassing van de hoofdregel van 261 dagen tot een onredelijk laag dagloon leidde.
De rechtbank oordeelde dat de referteperiode correct was vastgesteld van 1 juni 2013 tot en met 31 mei 2014 en dat de door het UWV gehanteerde aangiftetijdvakken juist waren meegenomen, waaronder week 35 van 2013 en het buiten beschouwing laten van week 22 van 2014. De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat zij als herintreder moest worden aangemerkt, omdat zij in juni 2013 een WW-uitkering ontving. Ook vond de rechtbank onvoldoende onderbouwing voor het buiten toepassing laten van de hoofdregel van 261 dagen.
De rechtbank concludeerde dat het dagloon correct was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de vaststelling van het dagloon voor de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.