Appellante, die zich in 2011 in Nederland vestigde en kort daarna in dienst trad, raakte arbeidsongeschikt door een ongeval en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk het dagloon vast op €7,04, wat appellante betwistte vanwege haar flexcontract en het feit dat zij minder uren werkte dan overeengekomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht artikel 18, tweede lid, van het Dagloonbesluit had toegepast omdat appellante in het refertejaar geen loon had genoten. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat deze toepassing tot een onbillijke uitkomst leidde.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond. Het tweede besluit van het UWV, waarin het dagloon werd verhoogd naar €14,08, werd echter bevestigd. De Raad oordeelde dat het dagloon correct was vastgesteld en dat er geen grond was om artikel 18, tweede lid, buiten toepassing te laten. Ook werd het beroep op artikel 18, derde lid, afgewezen omdat appellante wel had gewerkt.
Tot slot veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed.