ECLI:NL:CRVB:2016:2347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte dagloonberekening voor Ziektewetuitkering ondanks ongunstige loonperiode
Appellante trad op 5 oktober 2012 in dienst en viel op 20 december 2012 wegens ziekte uit. Het dienstverband eindigde op 5 oktober 2013. Het UWV stelde het dagloon voor de Ziektewet-uitkering vast op €19,16, gebaseerd op loonopgaven van de werkgever over aangiftetijdvakken.
Appellante maakte bezwaar tegen de dagloonvaststelling omdat het loon over de tweede helft van oktober 2012 niet in de berekening was meegenomen, doordat de werkgever dit loon had opgegeven in de aangifte over november 2012. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het Dagloonbesluit bepaalt dat loon wordt toegerekend aan het aangiftetijdvak waarover de werkgever aangifte doet.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het uitgangspunt van de Ziektewet is dat de uitkering gerelateerd moet zijn aan het werkelijk verdiende loon en dat het Dagloonbesluit in dit geval onredelijke effecten heeft. De Centrale Raad oordeelde echter dat het Dagloonbesluit correct is toegepast en dat het loon geacht wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak van de loonopgave. De stelling dat sprake is van een afwijkend aangiftetijdvak werd verworpen omdat de werkgever maandaangifte doet.
De Raad concludeerde dat de dagloonvaststelling ondanks de ongunstige uitwerking rechtmatig is en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de dagloonvaststelling van €19,16 wordt bevestigd.